Facebook pixel

Subsidiecall kleine en middelgrote windturbines


De Vlaamse overheid wil kmo’s helpen bij het bouwen van kleine windmolens, zodat ze zelf de groene stroom kunnen produceren die nodig is voor hun activiteiten. De steun wordt toegekend volgens de call-formule en is enkel van toepassing op investerings- en aansluitkosten. Dat betekent dat iedereen een subsidiedossier kan indienen, maar dat alleen de best gerangschikte projecten een toelage zullen krijgen. Hoe hoger de elektriciteitsproductie per eenheid van aangevraagde steun, hoe hoger het project wordt gerangschikt. Het Vlaams gewest heeft voor deze call een totaalbedrag van 1,5 miljoen euro uitgetrokken voor die constructiesteun, maar de subsidie wordt in de praktijk afgetopt op 1.000 euro per MWh geraamde jaarlijkse energieopbrengst.

Let wel op, de regelgeving en berekeningen rond de call kennen strikte randvoorwaarden. Na de goedkeuring van de aanvraag volgen er meteen enkele belangrijke verplichtingen. Zo is de zaakvoerder verplicht om zijn project binnen een bepaalde termijn te vergunnen en uit te voeren en moet er een bankgarantie gegeven worden.  Bovendien komen de installaties die deel uitmaken van de doelgroep voor de investeringssubsidie (windturbines met een bruto nominaal elektrisch vermogen van 10 – 300 kW) vanaf 1 januari 2019 niet meer in aanmerking voor groenestroomcertificaten.

Profex heeft door haar jarenlange ervaring met subsidiedossiers voor groene stroom en warmtekracht reeds een sterke reputatie opgebouwd. Met onze expertise bekomt u een correcte steunaanvraag en een onpartijdige voorberekening van de rentabiliteit van uw project.

De huidige call loopt tussen 3 december 2018 en 24 januari 2019.

Verplichte energie-audit voor grote bedrijven


Grote ondernemingen zijn verplicht om vierjaarlijks een ‘energieaudit voor grote ondernemingen‘ te laten uitvoeren, conform de Europese EED-regelgeving.

De resultaten van de eerste energieaudit moesten op 1 december 2015 ingegeven zijn in de webapplicatie van het VEA. En nadien moet de energieaudit voor grote ondernemingen om de 4 jaar geactualiseerd worden. De deadline voor het ingeven van deze actualisatie valt op 1 december 2019.

Wie dat niet gedaan heeft in 2015, wordt aangeraden om het zo spoedig mogelijk te doen. De auditverplichting blijft immers van kracht.

Vrijstelling voor een energie-audit?
In sommige gevallen bent u vrijgesteld. Bijvoorbeeld als u toegetreden bent tot een van de energiebeleidsovereenkomsten (EBO) of in het bezit bent van een conform verklaard energieplan of ISO 50.001 gecertificeerd bent.

De energiedeskundigen van Profex stellen de audit op en identificeren en prioriteren de mogelijkheden voor energie- en dus ook een financiële besparing.

Contacteer hen vrijblijvend.

Conformiteitsverklaring door OVAM valt weg


Door de steeds groeiende ervaring van de bodemsaneringsdeskundige, legt OVAM de verantwoordelijkheid voor de opmaak van onderzoeken nog meer bij deze deskundigen. Dit betekent niet dat al het werk rechtstreeks bij de deskundige valt. Via gerichte controles op specifieke momenten garandeert OVAM wel nog steeds de kwaliteit van de onderzoeken. Toch is het duidelijk dat OVAM meer vertrouwen heeft in de bodemsaneringsdeskundige.

Hoge kwaliteit van bodemonderzoeken
Al sinds 1995 werkt OVAM nauw samen met de bodemsaneringsdeskundigen voor het uitvoeren van bodemonderzoeken. De deskundigen rapporteerden de onderzoeken naar OVAM, die op zijn beurt de onderzoeken conform verklaarden na behandeling.

Door de jarenlange verwerking van de onderzoeken is OVAM van mening dat de kwaliteit van de onderzoeken momenteel op een niveau zit dat ze een volledige conformiteitsbeoordeling niet meer nodig achten. OVAM beoordeelt dus niet langer elk bodemonderzoek naar zijn technische conformiteit. De mogelijkheid om deze beoordeling toch te doen, behoudt OVAM echter wel, maar beperkt de mogelijkheid tot 90 dagen na ontvangst van het onderzoek.

Verantwoordelijkheid ligt bij de bodemsaneringsdeskundige
De bodemsaneringsdeskundige stelt dus nog steeds een onderzoek op conform de standaardprocedure. Dit onderzoek stuurt de deskundige dan door naar OVAM via het webloket waarna er een administratieve screening wordt uitgevoerd. Deze administratieve beoordeling werd reeds standaard uitgevoerd door de OVAM bij elke behandeling van een bodemonderzoek. Hierna neemt OVAM enkel nog een beslissing over de aard en de ernst van de verontreiniging.

De erkend bodemsaneringsdeskundige zal dus alle verantwoordelijkheid dragen inzake de juistheid en volledigheid van de aangeleverde gegevens alsook voor de conformiteit ten opzichte van de standaardprocedures. Dit om het kwaliteitsbewustzijn van de erkende bodemsaneringsdeskundigen te doen vergroten en om hun kwaliteit van bodemonderzoeken nog meer te verbeteren. OVAM houdt de onderzoeken wel nog nauw in het oog en voert periodieke audits uit tijdens de opmaak van de onderzoeken. Tijdens de audits kan dan ook de kwaliteit van de onderzoeken nagegaan worden.

Ondernemen in de stad: infomoment Ieper


Door de vele veranderingen in de wetgeving is het vaak onduidelijk wat er nog mogelijk is. Als studie- & adviesbureau kan Profex u begeleiden bij het realiseren an uw project. Kom naar ons gratis infomoment op 10 december.

Wat staat op het programma?

  • Bouwvoorschriften
  • Sloopopvolgingsplan
  • Milieuvergunning (omgevingsvergunning)
  • Erfgoed & archeologie
  • Vergunning voor kleinhandelsactiviteiten

Praktisch

  • Infomoment op 10 december 2018
  • Locatie: Albion Hotel, Sint-Jacobsstraat 28, Ieper
  • Voor wie: iedereen die woont en/of onderneemt in de stad (Ieper en omstreken)
  • Ontvangst: 19u45
  • Inschrijven via pta@profex.be

Na het infomoment kan u napraten met onze experten.

Woont u in het centrum van de stad of in de dorpskern en wilt u grondige verbouwingswerken uitvoeren? Dan weet u vast dat u rekening moet houden met de voorschriften van de gemeente, met erfgoed en archeologie, ... Ook bij de start van een eigen onderneming is het belangrijk om je goed te informeren. Want een nieuwe handelszaak kan invloed hebben op de mobiliteit of lawaai- of geurhinder veroorzaken. Veel ondernemers en particulieren zien door het bos de bomen niet meer. Gelukkig zijn al deze wetten en regels onze specialiteit. Blijf dus niet met uw vragen zitten, maar kom naar ons gratis infomoment op 10 december.

Profex staat op Bedrijven Contact


Op 22 en 23 november vindt de 9de editie van Bedrijven Contact plaats in Waregem expo.

Ook Profex is er samen met de andere bedrijven uit het netwerk van United Experts aanwezig. U vindt onze consultants op stand 507. Bent u als ondernemend bedrijf op zoek naar een deskundige begeleiding in de domeinen omgeving, bodem en energie, kom dan zeker eens langs!

Heeft u nog geen ticket? Neem dan even contact met ons op en we sturen u er eentje toe.

Ontbijtseminarie voor architecten op 29 november


Op donderdag 29 november organiseert studie- & adviesbureau Profex een ontbijtseminarie voor architecten.

Als multidisciplinair studiebureau hebben we ruime ervaring bij het begeleiden van milieu- en stedenbouwkundige vergunningsaanvragen en uiteraard sinds 23 februari 2017 ook met de aanvragen voor de omgevingsvergunning.

Als architect beseft u vast wel dat de steeds wijzigende wetgeving het moeilijker maakt om vergunningsaanvragen in te dienen. Profex kan u hierbij helpen. Kom alles te weten over recente wijzigingen die nuttig kunnen zijn voor u als architect tijdens ons ontbijtseminarie. Schrijf u snel in want de plaatsen zijn beperkt tot 30 personen.

Op het programma staat het volgende:

  • 7u00 Ontvangst met ontbijt
  • 7u45 Welkom en korte voorstelling van Profex, onderneming van de bedrijvengroep United Experts (Kristof Bol)
  • 8u00 Omgevingsvergunning en de praktijk – hoe kan er samengewerkt worden voor het milieuluik (Keaty Maes)
  • 8u20 Nieuwigheden inzake Ruimtelijke Ordening (Carlos Roelens)
  • 8u35 Update inzake archeologie (Carlos Roelens)
  • 8u50 Het sloopopvolgingsplan (Kristof Bol en Seppe Van der Stoelen)
  • 9u05 Aandachtspunten inzake brandveiligheid (Koen Steenhoudt)
  • 9u20 Voorstelling BDA Engineering, partner voor uw stabiliteitsstudies (Koen Steenhoudt)
  • 9u30 - 10u30 Mogelijkheid tot vraagstelling of overleg met een medewerker

Bent u er graag bij? Schrijf u dan snel in via dit formulier.

Locatie: Biezeweg 15a, 9230 Wetteren
Aanvang: 7u
Voor: architecten
Dit seminarie is gratis, maar inschrijven is verplicht

4 december: netwerkavond over gewijzigde sloop en afbraakregels


Hoe zit dat nu met het sloopopvolgingsplan, de traceerbaarheid van bouw- en sloopafval, het aansluiten bij Tracimat, de asbestinventaris, …?

Veel afbraakwerkers en breekcentrales tasten momenteel in het duister. Heeft u ook vragen over het sloopopvolgingsplan en wanneer dit verplicht is? Of wilt u meer weten over de overgangsmaatregelen? Of misschien weet u niet goed hoe u het onderscheid tussen hoog milieurisico puin en laag milieurisico puin moet invoeren in uw breekinstallatie?

Daarom organiseert studie- & adviesbureau Profex een netwerkavond waarbij we alle veranderende wetgeving en aanpak op een rijtje zetten voor u en aan de hand van praktische voorbeelden u wegwijs maken in de nieuwe regels rond sloop- en afbraakwerken.

Na de infosessie kan u bij een hapje en een drankje nog wat bijpraten of verdere vragen stellen.

Deze netwerkavond gaat door op dinsdag 5 december op ons kantoor te Beringen (Koolmijnlaan 201) en start om 17u.

De avond wordt u gratis aangeboden, maar inschrijven vooraf is verplicht. Dat kan u door hier uw gegevens in te vullen.

Tot dan!

Profex staat op RenoResto


In 2018 zal RenoResto plaatsvinden in Tour & Taxis in Brussel van 4 tot 5 oktober. Op deze B2B-beurs staan renovatie, restauratie en herbestemming centraal. Op stand 135 van ons bedrijf United Experts vind je de Profex consultants terug. Samen met andere partners in het netwerk van United Experts zijn we beschikbaar om al jouw vragen in verband met erfgoed, bouwen, renoveren en vergunningen te beantwoorden.

Je kan onze stand bezoeken van 12u tot 21u. Prachtische info over de bereikbaarheid en de parking vind je hier.

De beurs is gratis, maar aanmelden is verplicht. Dat kan je hier doen. We kijken alvast uit naar je bezoek!

De vergunning voor kleinhandelsactiviteiten


Eén van de vele wettelijke verplichtingen waar je aan dient te voldoen bij de opstart van een kleinhandelszaak, kan de aanvraag van een vergunning voor kleinhandelsactiviteiten zijn. Deze vindt zijn oorsprong in de wet op de handelsvestigingen van 13 augustus 2004, ook wel de ‘Ikea-wet’ genoemd. Vanaf 1 januari 2018 wordt dit, in het kader van het decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid, geïntegreerd in de omgevingsvergunning.

Verplicht bij meer dan 400 m² verkoopoppervlakte

De vergunning voor kleinhandelsactiviteiten moet aangevraagd worden van zodra de oppervlakte van je verkoopruimte die publiek toegankelijk is, meer dan 400 m² bedraagt.  Ook bij belangrijke wijzigingen van de aard van de handelsactiviteit en bij belangrijke uitbreidingen van bestaande kleinhandelsbedrijven is een vergunning verplicht. Groothandel, die nooit rechtstreeks aan de consument verkoopt, is hier niet aan onderworpen.

Er zijn 4 categorieën van kleinhandelsactiviteiten:

  1. verkoop van voeding;
  2. verkoop van goederen voor persoonsuitrusting (d.w.z. textiel, kleding, schoenen, lederwaren, parfumerie, cosmetica, sieraden);
  3. verkoop van planten, bloemen en goederen voor land- en tuinbouw (o.m. tuincentra);
  4. verkoop van andere producten.

De netto-handelsoppervlakte is de oppervlakte bestemd voor de verkoop en toegankelijk voor het publiek, met inbegrip van de niet-overdekte oppervlakte. Het omvat ook de kassazones, de zones achter de kassa’s en de inkomruimte als ze ook gebruikt worden om waren uit te stallen of te verkopen. De voorraadruimte, atelier, kantoren, lokalen specifiek voor personeel, … worden niet mee in rekening genomen.

Motivatiedossier

Bij de vergunningsaanvraag moet een goed onderbouwd motivatiedossier gevoegd worden. In dit dossier wordt een analyse gevraagd omtrent diverse elementen. Zo wordt eerst en vooral afgetoetst wat de invloed van de (nieuwe) handelsvestiging zal zijn op de ruimtelijke omgeving. Er wordt nagezien of de inplanting in het (gemeentelijk) ruimtelijk beleid past, of er geen mobiliteitsproblemen gegenereerd worden enz.

Daarnaast wordt de link met de consument bestudeerd. Wat is het assortiment van de nieuwe zaak en welk doelpubliek wordt aangesproken, wat is het verzorgingsgebied van de zaak, welke demografische evoluties zijn zichtbaar,… Verder wordt ook de invloed op de (lokale) werkgelegenheid onderzocht en tot slot, de weerslag van het project op de reeds bestaande handelsnetwerk in de omgeving. Zowel de bescherming van de consument als de naleving van de sociale wetgeving en arbeidswetgeving worden als zeer belangrijk ervaren binnen het aanvraagdossier.

Beoordeling aanvraag

De behandeling van dergelijke aanvraag gebeurt veelal door het lokale college van burgemeester en schepenen. Vanaf het moment dat de lokale overheid aangeeft dat een dossier volledig is, heeft diezelfde overheid 50 dagen de tijd om een beslissing te nemen over de vergunningsaanvraag.

Overschrijdt de verkoopoppervlakte echter de grens van 1000 m², dan wordt ook advies ingewonnen bij een hogere adviesraad, namelijk het Nationaal Sociaal-Economisch Comité voor de Distributie (= NSECD). Dit heeft als gevolg dat de beslissingstermijn met 20 dagen verlengd kan worden. Indien er geen beslissing komt van de gemeente binnen de vooropgestelde termijnen, is er sprake van een stilzwijgende toekenning van de vergunning.


Geschreven door Paulien Tanghe (Profex-consultant) voor Garden Style editie 81
 

Hoe maakt Profex uw sloopopvolgingsplan op?


Sinds 5 juni moet er bij de omgevingsvergunningsaanvraag voor het slopen van niet-residientiële gebouwen, bruggen en tunnels en infrastructuurwerken een sloopopvolgingsplan (SOP) gevoegd worden. Dit SOP is een inventarisatie van alle te slopen fracties met extra aandacht voor de gevaarlijke stoffen zoals asbest. Daarnaast biedt het SOP advies voor een optimale selectieve sloop en is het de eerste stap in de traceerbaarheidsprocedure.

Hoe maakt Profex uw sloopopvolgingsplan op?

Het sloopopvolgingsplan dat de experts van Profex opstellen bestaat uit verschillende fasen.

  • Voor aanvang van het project bestudeert onze deskundige de te slopen gebouwen aan de hand van bouwplannen, foto's en vergunningen.
  • Vervolgens meet hij de gebouwen volledig op en maakt hij een meetstaat die een nauwkeurig overzicht geeft van alle te slopen fracties, waar deze voorkomen en in welke hoeveelheden. De gevaarlijke fracties worden extra uitgelicht.
  • Ten slotte geeft de deskundige u voor alle verschillende afvalstromen en voor het hele project specifiek advies dat de selectieve sloop en de veiligheid gunstig uitkomen.

Nadien moet de gebouwenbeheerder beslissen: of hij voert het puin af als hoog milieurisicoprofiel of hij volgt de traceerbaarheidsprocedure van sloopbeheerorganisatie Tracimat vzw. De experten van Profex stellen uw SOP alvast conform het traceerbaarheidssysteem van Tracimat op.

Uw Profex-consulent geeft u graag meer informatie over wanneer een sloopopvolgingsplan verplicht is en over de traceerbaarheidsprocedure.

Exergie is de nieuwe speler binnen de bedrijvengroep United Experts


Het kennisnetwerk van United Experts breidt uit met de komst van Exergie, een samenwerking tussen de energieconsulenten van Profex en Egeon. Zowel ondernemers, zoals de lokale beenhouwer, als industriële sites kunnen een beroep doen op deze expertises. Maar ook zorginstellingen, gebouwbeheerders en overheden halen winst uit het energie-advies van Exergie.

Door de uitgesproken feeling met KMO en industrie vanuit studiebureau Profex, en de sterke affiniteit met alle gebouwgebonden technieken van Egeon, vormt Exergie een sterke partner om het energieverbruik en de kosten te verminderen,” vertellen bestuurders Daan Curvers en Kristof Van den Bergh.

De consulenten van Exergie volgen de ontwikkeling van nieuwe technologieën en regelgeving op de voet zodat ze toekomstgericht advies kunnen bieden aan de klanten. Bovendien is Exergie een onafhankelijke adviseur. Ze hebben geen banden met energieleveranciers, projectontwikkelaars, aannemers of ESCO-bedrijven.

Ten slotte is Exergie een geregistreerd dienstverlener binnen de KMO-portefeuille. Dit betekent dat u als KMO premies tot 40% kan krijgen indien u een beroep doet op Exergie voor energie-advies. Voor meer info hierover, kan u terecht bij de consulenten van Exergie.

Exergie staat voor een hands-on mentaliteit. Ontdek de volledige dienstverlening op de website: www.exergie.be.

Profex en Landmax verzoenen natuur en economie


Wijzigingen bodemdecreet: verplicht bodemonderzoek voor risicogronden


Recent onderging het Bodemdecreet enkele wijzigingen. Zo komt er een verplicht bodemonderzoeksmoment voor nog niet onderzochte gronden. Dit gaat over gronden met potentieel historische bodemverontreiniging. Particulieren kunnen echter een vrijstelling van de onderzoeksplicht aanvragen.

Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd om na te gaan of er een bodemverontreiniging ontstaan is op een risicogrond. Tot voor kort was dit eerste onderzoek enkel verplicht bij een overdracht van een risicogrond, bij een periodieke onderzoeksplicht (om de 10 of 20 jaar), bij een faillissement of sluiting van een risico-inrichting of bij een situatierapport voor een GPBV bedrijf. Dit zijn bepaalde bedrijven die aan extra specificaties moeten voldoen omdat ze een grotere impact hebben op het milieu.

Wanneer is een vrijstelling mogelijk?

Een belangrijke wijziging in het Bodemdecreet nu is de invoering van een verplicht bodemonderzoeksmoment voor nog niet onderzochte gronden. Het gaat hierbij over gronden met potentieel historische bodemverontreiniging. Er is echter wel een mogelijkheid voorzien om een vrijstelling te krijgen van deze nieuwe onderzoeksplicht. Deze vrijstelling geldt enkel voor particulieren.

  • De eigenaar moet aan enkele voorwaarden voldoen om een vrijstelling te bekomen:
  • De grond betreft een historische risicogrond (risicogrond waarop inrichtingen hebben plaatsgevonden met aanvang voor 29 oktober 1995).
  • De risico-inrichtingen zijn niet door de eigenaar zelf geëxploiteerd.
  • De risico-activiteiten waren aanwezig voor de persoon eigenaar werd.
  • De eigenaar heeft de gronden, na verwerving, enkel voor particulier gebruik aangewend.
  • Indien de grond via een erfenis verworven is, moet de erflater aan dezelfde voorwaarden voldoen. Hierbij moet steeds de datum van verwerving door de persoon in kwestie als de datum van verwerving door de erflater vermeld te worden op het aanvraagformulier.

De vrijstelling gebeurt echter niet automatisch, maar moet aangevraagd worden bij de OVAM.

Heeft u een brief gekregen van de OVAM in verband met deze onderzoeksplicht? Of heeft u vragen over een oriënterend bodemonderzoek? Neem dan contact op met ons team bodemdeskundigen. Zij geven u graag het gepaste advies.

Sloopopvolgingsplan bij uw aanvraag omgevingsvergunning vanaf 5 juni


Wat wijzigt?

Heeft u voor de sloop- en afbraakwerken een omgevingsvergunning nodig? Dan moet u vanaf 5 juni 2018 een sloopopvolgingsplan voegen bij de aanvraag van deze vergunning. Het sloopopvolgingsplan is de reeds bestaande sloopinventaris, in een nieuw jasje gestoken. Meer gedetailleerd, meer deskundig en gecontroleerd.

Wie de omgevingsvergunning aanvraagt, zorgt dat het sloopopvolgingsplan bij het aanvraagdossier zit van de omgevingsvergunning, maar voegt deze tevens toe aan de aanbestedingsdocumenten of prijsvraag.

Wanneer van toepassing?

Een sloopopvolgingsplan moet u laten opmaken voor alle renovatiewerken, sloopwerken of ontmantelingsactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, mits één van onderstaande van toepassing is:

  • Gebouwen waarvan het totale bouwvolume groter is dan 1.000 m3 voor niet-residentiële gebouwen
  • Gebouwen waarvan het totale bouwvolume groter is dan 5.000 m3 voor alle, in hoofdzaak, residentiële gebouwen
  • Infrastructuurwerken of onderhoudswerken aan infrastructuur met een volume groter dan 250 m3

Een particuliere eengezinswoning valt dus in hoofdzaak niet onder deze verplichting gezien het bouwvolume meestal onder de 5.000 m3 bedraagt.

Wat houdt het sloopopvolgingsplan in?

In het sloopopvolgingsplan kan je een overzicht vinden van welke materialen op de betreffende site zullen vrijkomen bij de sloop- of ontmantelingswerken. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de aanwezige gevaarlijke materialen en niet-gevaarlijke stoffen. Per afvalstof dient de aanwezige hoeveelheid te worden opgegeven, het type, de locatie ervan en de verschijningsvorm. Een beschrijving van hoe de afvalstoffen ingezameld, opgeslagen en afgevoerd zullen worden, moet ook in dit rapport worden vermeld.

Sloopopvolgingsplan opgemaakt, en daarmee is de kous af?

Na de opmaak van het sloopopvolgingsplan kan men er nog steeds voor kiezen om in te stappen in een sloopbeheersysteem. Tracimat vzw is voorlopig de enige erkende sloopbeheerorganisatie die de kwaliteit en opvolging van dit systeem controleert.

Indien de opdrachtgever ervoor kiest om mee in te stappen, doorloopt het sloopopvolgingsplan, opgemaakt door een deskundige aangesloten bij Tracimat, een aantal stappen waarbij Tracimat op het einde van de rit, een sloopattest kan afleveren. Dit sloopattest bewijst dat de sloopwerken conform de nieuwe regels gebeurden.

Voordeel van in te stappen in het sloopbeheersysteem?

De breekinstallatie (de verwerker van het afval) is verplicht om bij ontvangst van het puin een onderscheid te maken in hoogmilieurisicopuin of laagmilieurisicopuin. Puin dat wordt vergezeld door de nodige attesteringen van Tracimat (de ‘verwerkingstoelating’) wordt aanzien als een laagmilieurisicopuin, en kan dus vlotter door de verwerking bij de breker gaan. Kan u die verwerkingstoelating niet voorleggen, dan bestaat de kans dat u hiervoor een hogere prijs moet betalen. Men weet immers niet welke fracties en verontreinigingen in dit ‘ongekend’ puin aanwezig zijn en of de sloop selectief gebeurde.

Doel van dit alles?

Het sloopattest bevestigt de selectieve inzameling van het sloopmateriaal en attesteert de traceerbaarheid van de herkomst tot aan de verwerking van de afvalstoffen. Met het bijsturen van sloop- en ontmantelingswerken hoopt men de restverontreinigingen die nog talrijk aanwezig zijn in het verzamelde puin, maximaal te beperken. Door het selectief slopen en dus alle afvalstoffen per soort in te zamelen van bij de bron, kunnen de breekinstallaties ook een minder verontreinigd puingranulaat bekomen. Op die manier hoopt men alle storende en gevaarlijke stoffen maximaal te verwijderen, om hergebruik te stimuleren met een mooier eindproduct.

Kortom?

Zorg ervoor dat u tijdig de opdracht geeft voor de opmaak van een sloopopvolgingsplan. Zo kan deze conform de regels opgemaakt worden. Vervolgens voegt u deze dan toe aan de omgevingsvergunningsaanvraag (vroegere bouwaanvraag) en de aanbestedingsdocumenten, prijsvraag of andere contractuele dossiers. Wilt u bijdragen aan een correct sloopbeheer? Contacteer ons, wij kunnen u bijstaan voor de opmaak van het plan, en kunnen u doorheen het volledige proces gidsen.

Sociale flitscontroles bij garages en carwashes


Uitbaters van garages en carwashes kunnen op 15 juni 2018 'sociale flitscontroles' verwachten. Deze controles passen in het kader van de strijd tegen sociale fraude.

De flitscontrole is een aangekondigde controle op de sociale wetgevening en de arbeidsreglementering. Door de controles op voorhand aan te kondigen, geven de inspectiediensten sociale fraude de ondernemingen de tijd om zich, nog last-minute in regel te stellen.

De controle focust voornamelijk op :

  • het zwartwerk en illegale tewerkstelling;
  • het bijhouden van sociale documenten (arbeidsreglement en verplichte bijlagen, arbeidsovereenkomsten, …);
  • de Dimona-aangifte;
  • de arbeidsongevallenverzekering;
  • de schijnzelfstandigen.

Op 15 juni is het dus de beurt aan garages en carwashes.

Nieuw bodemsaneringsfonds voor garage- en carrosseriesector


Tersana: Nieuw bodemsaneringsfonds voor garage- en carrosseriesector

Voor garage-, carrosserie- en landbouwmachinebedrijven die kampen met bodemverontreiniging is er goed nieuws. De beroepsverenigingen Febelcar, Fedagrim, Bond van de garagisten en Traxio hebben samen met Ovam de schouders gezet onder een bodemsaneringsorganisatie voor de sector.

Dit fonds, Tersana, zal de getroffen bedrijven zowel financieel als met expertise bijstaan. Daarnaast gingen de federaties ook partnerschappen aan met bodemsaneringsdeskundigen om hun leden de mogelijkheid te bieden om tegen gunstige voorwaarden oriënterende bodemonderzoeken te laten uitvoeren.

Vlaanderen telt drie bodemsaneringsfondsen

De Vlaamse regering maakt het mogelijk om een bodemsaneringsfonds op te richten voor de ‘constructie-, herstel- en onderhoudswerkzaamheden die garage, koetswerk- en aanverwante bedrijven uitvoeren aan motorvoertuigen in de ruimste zin, zoals auto’s, moto’s, vrachtwagens, bestelwagens, landbouwmachines, bussen en aanhangwagens’.

Daardoor bestaan er 3 bodemsaneringsfondsen in Vlaanderen:

  • Vlabotex voor de droogkuissector, dat al bestaat; en
  • Tersana voor de garages en carrosseriebedrijven, dat binnenkort wordt opgericht.

Bofas, het oudste bodemsaneringsfonds, dat werd opgericht voor de sanering van bodems waarop een tankstation heeft gestaan, heeft nog een erkenning tot 26 maart 2019.

Wat Tersana betreft, is er voorzien dat zo’n 1.000 bedrijven hun saneringsplicht zullen kunnen overdragen aan het nieuwe fonds.

Vanaf nu start de sensibilisering bij deze bedrijven en saneringsplichtige probleembezitters die kunnen aansluiten bij Tersana. Tersana staat vervolgens in voor het uitvoeren en financieren van de volledige bodemsaneringsprocedure. Deze sites worden aangeschreven om aan te sluiten bij het fonds om tegen 2036 onderzocht en gesaneerd te worden.

Voor meer info in verband met bodemonderzoeken, kan u terecht bij onze bodemdeskundigen.

Rechtstreekse elektriciteits- en gasleidingen mogelijk vanaf 2019


Op vandaag kunnen bedrijven die groene stroom opwekken geen stroom leveren aan nabijgelegen verbruikers via een rechtstreekse elektriciteitskabel. De elektriciteit moet steeds over het bestaande distributienet passeren vooraleer het op een andere locatie kan verbruikt worden. Ook voor gasleidingen geldt dit, maar zijn de toepassingen in de praktijk wellicht beperkter.

Begin deze maand wijzigde de Vlaamse Regering principieel het Energiedecreet wat betreft directe lijnen en directe leidingen. Het is de bedoeling om de criteria voor de aanleg van directe lijnen (voor elektriciteit) en leidingen (voor aardgas) te versoepelen. De Vlaamse Regering wil zo nog meer bedrijven overtuigen om te investeren in hernieuwbare energie, ondanks de toepassing van een financiële heffing op de exploitatie van de directe lijnen. De heffing is volgens de minister een maatschappelijk aanvaardbare bijdrage ter dekking van de kosten van het gewestelijke energiebeleid.

De gewijzigde wetgeving is op dit moment slechts een voorontwerp en zal enkel van toepassing zijn voor nieuwe projecten vanaf 1 januari 2019, maar biedt op termijn mogelijk zeer interessante opportuniteiten.

Profex volgt de ontwikkelingen op de voet, en adviseert u vandaag al in uw plannen voor eigen energieproductie.

Wijzigingen Vlarema 6


Wijziging van de voorwaarden voor gebruik als meststof of bodemverbeterend middel

Op 23 februari 2018 is de zogenaamde “Vlarema 6”, de 6de wijziging van het VLAREMA (Vlaams Reglement betreffende duurzaam beheer van Materiaalkringlopen en Afvalstoffen), gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Dit Vlarema 6 bevat o.m. een aantal wijzigingen in de samenstellingsvoorwaarden in bijlage 2.3.1 voor grondstoffen bestemd voor gebruik als meststof of bodemverbeterend middel.

In de parameterlijst in die bijlage 2.3.1 werden de alkanen, BTEXS, VOCL’s en lagere chloorbenzenen geschrapt, werden de PAK’s uitgebreid van 10 naar 16 en zijn de tetrachloorbenzenen uitgesplitst. Een groot aantal normwaarden is gewijzigd. De normen voor de metalen arseen, chroom en kwik en de PCB’s zijn verstrengd en de normen voor de metalen koper, nikkel en zink en de meeste PAK zijn versoepeld.

Twee parameterpakketten

In navolging van de publicatie van Vlarema 6 is bijkomend door OVAM voor bedrijven met een geldig en volwaardig keuringsattest een gedeeltelijke vrijstelling toegestaan voor analyseparameters op eindproducten en inputstromen van compostering en vergisting, geproduceerd volgens de kwaliteitscontrole beschreven in het Algemeen Reglement van de Certificering.

Daardoor onderscheiden we nu 2 parameterpakketten:

  • Vlarema6: 8 zware metalen, minerale olie (GC-FID), 16 PAK’s, hogere chloorbenzenen (tetra, penta en hexaClbenzenen) en PCB’s incl. verzeping (CMA/3/W en CMA/3/X)
  • Vlarema6 beperkt: 8 metalen, minerale olie (GC-FID), 16 PAK’s incl. verzeping (CMA/3/W)

De afvalstoffen die naar composteringsinstallaties en vergistingsinstallaties afgevoerd worden waarvan de eindproducten als meststof of bodemverbeterend middel ingezet worden, moeten voldoen aan de parameters opgenomen in bijlage 2.3.1 van het Vlarema. Om te oordelen welk van bovenstaande parameterpakketten van toepassing is, ligt het al dan niet hebben van een geldig en volwaardig keuringsattest van de eindproducten van die verwerkingsinstallaties aan de basis.

Ook voor de eindproducten van de composteerinstallatie en vergistingsinstallaties geldt het al dan niet hebben van een geldig volwaardig keuringsattest als basis voor de beslissing of mag geanalyseerd worden op de beperkte parameterlijst.

Voor al uw vragen over de parameterpakketten, kan u terecht bij onze milieu-experten.

Financiele steun dankzij de ecologiepremie Plus (EP-Plus)


Ondernemingen in het Vlaamse Gewest kunnen van Agentschap Innoveren & Ondernemen een subsidie verkrijgen voor investeringen in bepaalde milieu- en energiebesparende technologieën, warmtekrachtkoppeling (WKK) en hernieuwbare energie. Hiermee wil de Vlaamse Regering ondernemingen stimuleren om te investeren in een milieuvriendelijk en energiezuinig productieproces. Alle kleine, middelgrote of grote ondernemingen met een aanvaardbare activiteit die ecologische investeringen uitvoeren in het Vlaamse Gewest, kunnen in aanmerking komen voor een Ecologiepremie Plus (EP-PLUS).

De EP-PLUS wordt toegekend aan bedrijven die investeren in technologieën opgenomen in de limitatieve technologieënlijst. Het bedrag van de ecologiepremie wordt bepaald op basis van de meerkost en de essentiële componenten; de grootte van de onderneming en de subsidiebonus.

Er is een nieuwe technologieënlijst beschikbaar die van toepassing is op steunaanvragen ingediend vanaf 31 oktober 2017.

Dit zijn de belangrijkste aanpassingen in vergelijking met de vorige lijst.

  • T 1300 ‘een nieuw koelsysteem op basis van alternatieve koudemiddelen’: 
    • Geldt vanaf nu enkel voor een koelvermogen tussen 50 en 300 kW,
    • Voor een koelvermogen tot en met 50 kW wordt T 201066 toegevoegd.
  • T 201061 ‘warmtepomp’: 
    • Geldt vanaf nu enkel met als warmtebronsysteem de bodem,
    • Voor warmtebronsysteem restenergie van de industrie wordt T 201067 toegevoegd.
  • T  1179 ‘on-site productie van stikstofgas en T 201054 ‘on-site productie van zuurstof worden geschrapt omdat de terugverdientijd minder dan drie jaar bedraagt
  • T 1357 ‘roetfilter’ wordt geschrapt omdat deze zal worden gesubsidieerd in het nieuwe systeem voor ecologisch en veilig transport
  • De ecologiegetallen werden opnieuw bepaald op basis van een nieuwe methodologie

Investeert u binnenkort in energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en/of milieutechnologie? Contacteer Profex om u te ondersteunen bij een aanvraag!

Kijkglas niet aanvaard als geldig permanent lekdetectiesysteem


In de praktijk wordt het kijkglas vaak nog beschouwd als een permanent lekdetectiesysteem. Dit strookt echter niet met het officieel standpunt van de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten en de afdeling Handhaving.

Bij het gebruik van een kijkglas wordt een lek slechts gedetecteerd wanneer iemand zich bij het kijkglas bevindt of wanneer er systematische controles worden uitgevoerd. Dit volstaat niet als permanent lekdetectiesysteem.

Momenteel zijn er enkele overgangsmaatregelen vastgelegd om uiteindelijk het gebruik van het kijkglas als permanent lekdetectiesysteem af te schaffen.

  • De lopende prototypekeuringen waarbij het kijkglas is toegelaten blijven maar geldig tot eind 2017;
  • De tanks voor de opslag van brandstoffen met een waterinhoudsvermogen van maximum 5000 l die gebouwd zijn onder deze prototypekeuringen mogen nog geïnstalleerd worden tot eind 2018;

Deze overgangsmaatregelen gelden ook voor particuliere stookolietanks.

Ingedeelde houders die reeds uitgerust zijn met een kijkglas kunnen in gebruik blijven op voorwaarde dat de exploitant beschikt over een procedure voor zijn periodieke controles op lekken via het kijkglas. Deze procedure omvat een omschrijving van de controle, de frequentie van controle, en de registratie van alle uitgevoerde controles in een logboek. Het logboek wordt ter inzage voorgelegd bij de periodieke onderzoeken uitgevoerd door de erkend milieudeskundige, bevoegd deskundige of de erkende stookolietechnicus.

Uw Profex-consulent kan u hierbij begeleiden.

Nieuwe subsidie voor ecologisch en veilig transport


De Vlaamse overheid wil ondernemingen aanmoedigen om transport veiliger en ecologischer te maken. Daarom kunnen bedrijven een subsidie krijgen voor hun uitgaven in vergroening en verkeersveiligheid van hun vrachtwagens.

Dit gaat onder andere over uitgaven, gemaakt na 1 januari 2017, in volgende categorieën:

  1. Rijassistentiesystemen
  2. Veiligheidsvoorzieningen
  3. Milieuvoorzieningen
  4. Efficiëntiebevorderende maatregelen
  5. Ergonomie van de bestuurdersplaats
  6. Diefstalvermijdende maatregelen

Het gaat bijvoorbeeld over technologieën zoals lane assistance, alcoholslot, GSM blokkering, camera’s, roetfilter en SCR, koelscheidingswanden, geluidsarme vloeren, airco’s, diefstalalarm en milieu- en veiligheidscertificaten.

Naast de subsidie voor ecologisch en veilig transport is er ook nog een ecologiepremie plus te verkrijgen voor vrachtwagens op aardgas (CNG en LNG) of op waterstof met brandstofcel, met cryogene CO2-koeling en de tankinfrastructuur hiervoor.

Voor meer informatie kan u terecht bij uw Profex-consulent.

Voorjaarsadministratie: wanneer moet u alles indienen?


Elk jaar moet uw bedrijf een aantal gegevens doorgeven aan overheden en organisaties onder de vorm van verschillende aangiftes. Het is zeer belangrijk om deze aangiftes tijdig en correct in te vullen aangezien hier ook financiële gevolgen aan verbonden zijn. Graag geven wij u een overzicht van de belangrijkste aangiftes en deadlines. Hulp nodig bij uw voorjaarsadministratie? Contacteer Profex en wij begeleiden u stap voor stap.

  • Heffing op de waterverontreiniging en winning van grondwater

Iedereen die meer dan 500 m³/jaar leidingwater verbruikt of een eigen waterwinning heeft of water loost, betaalt een heffing op de waterverontreiniging. Grootverbruikers moeten elk jaar voor 15 maart een aangifte van hun waterverbruik indienen. Ook voor de heffing op de winning van grondwater moet je een aangifte indienen. De aangiftes invullen verloopt digitaal, via het heffingenloket.

  • Integraal Milieujaarverslag

Het Integraal Milieujaarverslag (IMJV) verzamelt gegevens over de productie van bedrijfsafvalstoffen in Vlaanderen. Elk jaar moeten bepaalde bedrijven via een online aangifte melden welk afval ze hebben geproduceerd en/of welke vervuilende stoffen ze hebben uitgestoten in het voorbije jaar.

De brieven voor het IMJV 2018 (productiejaar 2017) worden verstuurd op 31 januari 2018. Het IMJV moet online ingediend worden via het online IMJV-loket. De aangifte moet uiterlijk op 14 maart 2018 ingediend zijn.

  • Val-I-Pac en Fost Plus

Wie verpakkingsverantwoordelijke is, moet een aangifte indienen van de op de markt gebrachte of ingevoerde verpakkingen. Wie aangesloten is bij Fost Plus en/of Val-I-Pac geeft de data door (indien digitale aangifte bij Fost Plus) vóór 28 februari.

Heeft u vragen over uw aangiftes? Laat u begeleiden door Profex!

Inzameling afvalolie: nieuwe code van goede praktijk


De sectorfederatie van de circulaire economie Go4Circle schreef een Code van Goede Praktijk voor de inzameling van afvalolie bij bedrijven. Met deze code willen ze PCB-contaminatie vermijden en vervuilers op hun verantwoordelijkheden wijzen.  Welke werkwijze wordt gehanteerd?

Voldoet uw afvalolie?

Het merendeel van de afvalolie die bij bedrijven wordt ingezameld voldoet aan de geldende normen.

Toch stellen inzamelbedrijven nog geregeld contaminatie met PCB’s (polychloorbifenylen) vast. Voor deze vervuilde partijen moet dan een aangepaste milieuvriendelijke oplossing gezocht worden, wat extra kosten meebrengt voor transport, verwerking en reiniging. Die extra kosten worden dan verhaald op de vervuiler. Maar in het verleden kon die vervuiler helaas vaak aan zijn verantwoordelijkheden ontsnappen, door gebrek aan ontegensprekelijk bewijs: de afvalolie wordt collectief ingezameld en geraakt dus vermengd met andere oliepartijen die de tankwagens tijdens hun ronde inslaan.

De sectorfederatie van de circulaire economie Go4Circle schreef hiervoor een Code van Goede Praktijk voor de inzameling van afvalolie bij bedrijven. De code is een extra hulpmiddel om PCB-contaminatie te vermijden door vervuilers te wijzen op hun verantwoordelijkheden.

Welke werkwijze wordt gehanteerd?

Bij ophaling of levering van afvalolie zullen volgens de code van goede praktijk twee stalen genomen worden. De monsters worden gelabeld en verzegeld, waarbij een exemplaar door het inzamelbedrijf wordt bewaard en het andere door het bedrijf dat de afvalolie produceerde.

Als er tijdens de analyse van de ingezamelde oliën geen contaminaties worden vastgesteld, krijgen de klanten hun verwerkingsattesten en mogen ze hun monsters vernietigen. In het geval er wel contaminatie wordt vastgesteld, zal het inzamelbedrijf alle betreffende monsters laten onderzoeken door een erkend laboratorium om het vervuilende bedrijf te identificeren. Als ook de tegenexpertise met het tweede monster de vervuiling bevestigt, zal de vervuiler op zijn verantwoordelijkheden worden gewezen. En die kan er niet langer onder uit, aangezien hij vooraf is ingelicht over de Code en de gevolgen van PCB-contaminatie.

De inzamelbedrijven zullen de komende maanden hun klanten persoonlijk informeren over deze code, en hen bewust maken van de risico’s van PCB-contaminatie.

Wat kan Profex voor u betekenen?

Heeft u vragen waar uw bedrijf met uw afvalolie het best naartoe gaat? Wilt u weten voor welke problemen een PCB-contaminatie op uw bedrijf kan zorgen? Laat u de afvalolie op uw bedrijf best al eens analyseren? Moet u alle afvalstoffen, alsook afvalolie ingeven via het integraal milieujaarverslag (IMJV)?

Contacteer vrijblijvend onze consultants.

Hof van Beroep bevestigt prosumententarief


Heeft u een eigen productie-installatie van elektriciteit, zoals bijvoorbeeld zonnepanelen? Dan weet u vast dat het prosumententarief onderdeel uitmaakt van uw energiefactuur. In een rechtszaak noemden twee particulieren en Zonstraal vzw het prosumententarief discriminerend. Maar het Hof van Beroep volgde hun redenering niet en voorlopig blijft het prosumententarief bestaan.

Prosumententarief?

Prosument is een samentrekkening van producent en consument. Het prosumententarief is een onderdeel van de energiefactuur en moet sinds juli 2015 betaald worden door mensen met een eigen productie-installatie van elektriciteit (bvb. zonnepanelen) voor zover het aansluitingsvermogen kleiner is dan 10 kVA. Het tarief werd in het leven geroepen zodat alle afnemers een solidaire en redelijke vergoeding betalen voor de diensten die de distributienetbeheerder levert. Eigenaars van een eigen productie-installatie betaalden vóór de invoering van het prosumententarief immers weinig of geen distributiekosten, terwijl ze hier wél gebruik van maakten. De kost voor het prosumententarief verschilt van netgebied tot netgebied en is afhankelijk van het vermogen van uw omvormer(s). Hoe groter het vermogen, hoe meer u betaalt voor het gebruik van het distributienet.

Wat betekent de uitspraak van het Hof van Beroep?

Het Hof van Beroep te Brussel sprak zich op 22 november uit in de rechtszaak tegen de VREG over de tariefmethodologie voor de periode 2017-2020. In zijn arrest verwerpt het Hof de vraag van twee particulieren en Zonstraal VZW, die het prosumententarief discriminerend noemen. Het Hof volgt hun redenering niet en verklaarde het beroep dan ook ongegrond.

Gevolgen?

Concreet wijzigt er niets. De tariefmethodologie 2017-2020 en de bijhorende distributienettarieven, inclusief het prosumententarief, blijven voorlopig bestaan. Voorlopig, want ook bij de Raad van State lopen nog een aantal gelijkaardige dossiers. Er wordt echter niet verwacht dat daar op korte termijn een uitspraak komt. De kans is dus reëel dat het prosumententarief op zijn minst tot 2020 blijft bestaan in zijn huidige vorm.

Verstrengde aanpak bij lozing verontreinigd regenwater


De VMM kondigde een verstrengde aanpak aan indien u verontreinigd regenwater loost, en dat merken we ook in hun adviezen op de vergunningsaanvragen. Een goede motivering in het dossier wint aldus aan belang. Met verontreinigd regenwater bedoelen we regenwater dat valt op verharde terreinen die vervuild kunnen zijn door de bedrijfsactiviteiten zoals een tankpiste, afvalverwerking, opslag van bepaalde producten, schroothandelaars enz.

Piekdebieten bij regenweer

Het nieuwe beleid is er gekomen, omdat voortaan ook rekening wordt gehouden met piekdebieten bij regenweer en de VMM de impact op overstorten en wateroverlast wil aanpakken. Zo wordt niet langer voor het jaardebiet gerekend met 800 liter per m2/jaar maar wel met 850 liter per m2/jaar. Anderzijds werden ook de richtcijfers voor het berekenen van het geloosde dagdebiet en uurdebiet gewijzigd. Men hanteert 15,9 liter per m2 oppervlakte voor het uurdebiet en 40,8 liter per m2 verharde oppervlakte voor het dagdebiet.

Dit heeft echter belangrijke gevolgen. Zo kan u al sneller de verplichting krijgen om specifieke meetapparatuur te voorzien of controlemetingen uit te voeren op uw lozingspunt. Loost u meer dan 2 m3/u of meer dan 20 m3/dag, dan was u reeds verplicht een meetgoot te installeren. Door de toepassing van de hogere debieten kan u sneller boven deze limiet komen en zal u sneller een meetgoot dienen te plaatsen. Of u kan voor de lozing van dit water in een hogere klasse terechtkomen en dient u bijvoorbeeld ipv een klasse 3 aanvraag een klasse 2 in te dienen.

Gevolgen van de verstrende aanpak

Om een voorbeeld te geven: een tankpiste van 130 m2 leidde vroeger tot een lozingsdebiet van 104 m3 per jaar, 0,52 m3/dag en 0,052 m3/uur. De lozing van dit afvalwater (zonder overschrijding van de indelingscriteria van gevaarlijke stoffen) werd vroeger als een klasse 3 rubriek ingedeeld aangezien het uurdebiet lager dan 2 m3/u was. In de verstrengde aanpak dienen we voor dezelfde oppervlakte rekening te houden met een lozingsdebiet van 110,5 m3/jaar, 2,06 m3/uur en 5,30 m3/dag. Daardoor zit u voor deze lozing in de hogere klasse 2 én dient u verplicht een meetgoot aan te leggen.

In de vergunningsaanvraag zijn er wel mogelijkheden om hier van af te wijken mits motivatie en maatregelen (hergebruik, buffering, metingen,..) en zijn er overgangsmaatregelen mogelijk voor de bestaande bedrijven. Een goede motivering in het dossier, maar ook communicatie en overleg met VMM wint aldus aan belang. Uw Profex adviseur zal dit voor u screenen en opvolgen.

Saneringsfonds voor particuliere stookolietanks


Heeft u een lekkende stookolietank? Dan kan u binnenkort gebruik maken van het solidariteitsfonds waardoor u hooguit 500 euro moet betalen om de grond te laten reinigen.

Zo’n 730.000 gezinnen in Vlaanderen hebben nog een stookolietank. Elk jaar beginnen een 50 tot 70 van die tanks te lekken. De OVAM schat dat er in Vlaanderen zo’n 6.500 probleemtanks zijn.

De kosten voor een sanering kunnen hoog oplopen. Nu zijn de federale en gewestregeringen eindelijk overeengekomen om een solidariteitsfonds op te richten vanaf 2019. “Wie schade lijdt door een lekkende tank, betaalt dan nog enkel een dossierkost van 25 euro en 10% van de factuur voor de werken, met een maximum van 500 euro,” zegt Vlaams minister van Omgeving Joke Schauvliege (CD&V). Ook lopende én recent afgeronde werken komen in aanmerking.

Wenst u hier meer info over, dan kan u uiteraard terecht bij ons team van bodemdeskundigen.

Wijzigingen nullozerstatuut vanaf januari 2018


Bedrijven die geen (bedrijfs)afvalwater lozen, kunnen een nullozerstatuut aanvragen. Als bedrijf moet je wel aan een aantal criteria voldoen:

  • De niet-lozing moet een feit zijn op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar
  • Op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar mag het bedrijf geen milieu- of lozingsvergunning (meer) hebben voor ander dan normaal huishoudelijk afvalwater en/of koelwater
  • De nullozing moet bewezen worden met een dossier van een erkend milieudeskundige. Dat dossier moet bij de aangifte gevoegd worden
  • De bevoegde administratie mag in de loop van dat jaar geen lozingen uit het productieproces vastgesteld hebben.

Aankomende wijzigingen

Een nullozerstatuut wordt verleend voor een periode van tien jaar en kan hernieuwd worden. In januari 2018 zullen er een aantal wijzigingen doorgevoerd worden aan het statuut. We brengen u hiervan graag op de hoogte:

  • Bij de verlenging van een eerder bekomen statuut als nullozer, moet het dossier/rapport voldoen aan alle inhoudelijke voorwaarden. 'Oude' dossiers (van voor dat rapport MER-deskundige van toepassing was) moeten dus aangepast worden. Deze aanvulling/aanpassing moet op straffe van nietigheid gebeuren. Indien vereist en niet gebeurd, dan zal het statuut niet verlengd worden.
  • Als bij een nullozer een onvergunde lozing werd vastgesteld, zal die zelf moeten aantonen dat de onregelmatige lozing geremedieerd is om voor de resterende looptijd het nullozerstatuut te kunnen behouden. Op vandaag werd het jaar volgend op de onvergunde lozing het bedrijf automatisch terug als nullozer aanzien.
  • De mogelijkheid wordt voorzien om een lozingsjaar op te splitsen na het bekomen van het nullozerstatuut, waarbij een periode met lozing van bedrijfsafvalwater en een tweede periode met nullozing onderscheiden wordt. Het 'alles-of-niets' principe waarbij de situatie op 1 januari de doorslag gaf, wordt verlaten.

Vragen over het nullozerstatuut?

Uiteraard kan u met al uw vragen terecht bij onze Profex-consulenten. Zij geven u graag advies over hoe u de waterhuishouding en de heffing kan optimaliseren. Daarnaast kunnen onze deskundigen ook een nullozerrapport opstellen, in overleg met een erkend deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlaktewater en afvalwater. Ten slotte gaan we ook in overleg met de overheidsdienst VMM. Heeft u nog vragen? Stel ze gerust!

Energieplan en energiestudie: wat betekent dit voor uw bedrijf?


Energieplannen en –studies: wanneer moet ik ze laten uitvoeren, wat houden ze in, en welke voordelen kunnen ze mij opleveren?

Met de komst van de omgevingsvergunning zijn ook aan de bepalingen omtrent energieplannen (EP) en –studies (ES) een aantal zaken gewijzigd, hoewel deze niet expliciet in het gewijzigde Energiebesluit zijn opgenomen. De huidige geldende regelgeving voor EP en ES is van de omgevingsvergunning. Daarin wordt in de addenda een meer precieze om

schrijving van de voorwaarden gegeven dan reeds in het Energiebesluit was opgenomen. Een overzicht:

[1] De internal rate of return, IRR (NL: interne-opbrengstvoet), is een getal, meestal uitgedrukt als percentage, dat het netto rendement van een investering uitdrukt.

Energieplan sneller opstellen

Het voornaamste gevolg van de wijzigingen is dat bedrijven nu sneller een energieplan zullen moeten opstellen waar vroeger een energiestudie volstond. Het opstellen van een energieplan is een stuk diepgaander en arbeidsintensiever dan het uitvoeren van een energiestudie. 

Het is niet steeds eenvoudig te bepalen of er nu al dan niet een energieplan of –studie moet opgemaakt worden. Dankzij haar ervaring en toewijding kan Profex je probleemloos wegwijs maken in de van toepassing zijnde wettelijke verplichtingen.

Consulteer een erkend energiedeskundige

Enkel een erkend energiedeskundige mag een energieplan of energiestudie opstellen. Deze erkenning gebeurt door de Vlaamse Overheid, meer bepaald door het VEA en het VBBV, en moet voor ieder energieplan of -studie opnieuw aangevraagd worden. Ook het energieplan of –studie zelf moet door deze diensten aanvaard worden.

Profex heeft de geschikte energiedeskundigen in huis en heeft reeds een hele waaier energieplannen en -studies opgesteld met gunstig gevolg. Profex kan uw bedrijf hierin dus perfect bijstaan.

Meer informatie over energieplannen, energiestudies, of ander Profex energiediensten? Contacteer Profex! Ontdek ondertussen welke energiediensten we u kunnen aanbieden.

Voorontwerp Vlarem trein 2017


Voorontwerp Vlarem trein 2017Onlangs verscheen een voorontwerp van de nieuwe ‘Vlarem trein 2017’. Bijna jaarlijks worden een hele reeks wijzigingen van de milieuwetgeving in één keer doorgevoerd, vandaar de symbolische verwoording van een ‘trein’. Hierin worden ook fouten uit de wetgeving gehaald en conclusies van BBT-studies (Best  Beschikbare Technieken) verwerkt.

Best Beschikbare technieken

Zo werden deze keer BBT-studies voor verontreinigd hemelwater voor de afvalopslagsector in de nieuwe Vlarem trein verwerkt, alsook die voor de aardappel-, groente- en fruitverwerkende nijverheid en voor de vlees- en visverwerkende industrie. Niet alleen Vlarem wordt zo herwerkt, ook zijn er veranderingen in een aantal andere milieuwetgevingen (Vlarel, Stooktoestellenbesluit, Milieuhandhavingsbesluit).

Uiteraard kan er nog veel wijzigen, maar dit voorontwerp geeft toch al een idee van wat er op komst is. Zo zijn er zeker ook veel relevante zaken voor uw bedrijf!

Enkele voorbeelden:

  • Een verduidelijking in de wetgeving van ‘voorkaaien’ in zeehavengebieden, van belang bij doorvoeropslag en de uitzondering om een milieuvergunning te hebben
  • Er bestond reeds de plicht om het hemelwater van het afvalwater te scheiden, behalve voor bestaande gebouwen in gesloten bebouwing waar dit niet mogelijk was. Deze uitzondering zou nu verruimen naar alle bestaande gebouwen, dus ook voor een open of halfopen bebouwing.
  • Luchtemissiemetingen en de rapportering van de resultaten van batchprocessen zullen vanaf 1 januari 2018 moeten uitgevoerd worden volgens een code van goede praktijk. Er wordt tevens een nieuwe bemonsteringsmethode toegevoegd voor batchprocédé’s die minder dan een uur duren.
  • Het meten van fugitieve VOS-emissies bij chemische bedrijven wordt aangepast aan de nieuwe controletechniek met IR-camera. Een nieuw meetprogramma wordt zo ingevoerd en ook gedeeltelijke controle met de IR-camera is mogelijk.
  • Alle bedrijven met een energiegebruik van meer dan 0,1 PJ zullen nu verplicht in een energieplan dienen te voorzien en worden onderworpen aan de regels van de energieplanning. Heden is dat nog 0,5 PJ.
  • Er wordt duidelijker in de wetgeving gesteld dat ook de niet-gevaarlijke AEEA (afgedankte elektronisch en elektrische apparatuur), batterijen en accu’s moeten worden gepollueerd conform de Europese richtlijn inzake AEEA.
  • Ook particuliere bovengrondse stookolietanks zullen bij een buiten gebruik stelling moeten gereinigd worden na lediging vanaf 1/1/2018. Bovendien dient hiervan vervolgens een certificaat te worden verkregen van de erkende technicus.

Ook verscheen een voorontwerpbesluit tot wijziging van Vlarem III. Hierdoor worden nieuwe sectorale milieuvoorwaarden toegevoegd voor de volgende GPBV-installaties:

  • De gemeenschappelijke behandeling en beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector
  • De non-ferrometaalindustrie
  • De intensieve pluimvee- of varkenshouderij

Heeft u vragen bij dit voorontwerp, dan kan u terecht bij onze milieudeskundigen.

Periodieke onderzoeksplicht oriënterende bodemonderzoeken


Periodieke onderzoeksplicht oriënterende bodemonderzoekenHeeft uw bedrijf een brief van de OVAM ontvangen in verband met de periodieke onderzoeksplicht van een bodemonderzoek? Laat u dan adviseren door een bodemsaneringsdeskundige.

Het is belangrijk dat u deze brief grondig leest en u laat bijstaan. Want niet elk perceel dat wordt aangeschreven, is onderzoeksplichtig. Dit kan recht gezet worden via een bodemsaneringsdeskundige. Laat deze brief zeker niet links liggen, maar contacteer het bodemteam van Profex.

Wat is de periodieke onderzoeksplicht?

Door de kwaliteit van de bodem regelmatig te controleren, kan u ingrijpen voor een verontreiniging ernstig wordt. Daaraan komt u tegemoet met de periodieke onderzoeksplicht.

Een van de manieren om de bodemkwaliteit te onderzoeken is een oriënterend bodemonderzoek. Afhankelijk van het soort bedrijf en activiteit moet de bodemkwaliteit frequenter gecontroleerd worden.

Laat u hierbij adviseren door een bodemsaneringsdeskundige. U kunt hiervoor terecht bij Profex.

Energiecoaching voor Gentse bedrijven


Energiecoaching voor Gentse bedrijvenTegen 2050 wil de Stad Gent klimaatneutraal zijn en dus geen negatieve impact meer hebben op het klimaat. Daarom moeten ze natuurlijk inzetten op heel wat verschillende domeinen en sectoren, waaronder de Genste bedrijven. Dus ondersteunt Stad Gent haar bedrijven bij het reduceren van hun energieverbruik via verschillende initiatieven. Een daarvan is de energiecoaching voor de Gentse ondernemers.

Energiecoaching

Het aangeboden energiecoachingtraject houdt in dat een ervaren energiecoach of energiedeskundige u begeleidt bij het reduceren van uw energieverbruik op een rendabele manier. De energiecoach komt daarvoor eerst bij uw bedrijf langs voor het uitvoeren van een energiescan, waarbij het energieverbruik in kaart gebracht wordt. Mogelijke besparingsmaatregelen worden geanalyseerd, en op basis van de interessante maatregelen wordt een actieplan opgesteld dat tot structurele besparing zal leiden. Daarna begeleidt de energiecoach u bij het uitvoeren van het actieplan, zodat de beoogde besparingen ook effectief gerealiseerd worden.

Deze aanpak is uiteraard algemeen interessant, niet enkel voor Gentse bedrijven die gebruik maken van het coachingtraject. In zowat elk bedrijf is er nog wel ‘laaghangend fruit’ terug te vinden op vlak van energiebesparing, waardoor een dergelijk traject zich snel terugverdient. En via het actieplan met bijhorende opvolging kunnen ook maatregelen die op iets langere termijn rendabel zijn succesvol geïmplementeerd worden. Voor maatregelen met een terugverdientijd langer dan 5 jaar geeft Stad Gent ook energiepremies (tot 10.000 euro per pand).

Waar het voor elk bedrijf een interessante piste is, is deze aanpak voor Gentse bedrijven een evidentie: de stad subsidieert namelijk maar liefst 90% van de kost van het coachingtraject. Grote verbruikers (meer dan 500 MWh elektriciteit warmte op jaarbasis of 1725 MWh aan warmte) kunnen voor 700 € aanspraak maken op begeleiding ter waarde van 7.000 €, middelgrote verbruikers (tussen 100 en 500 MWh elektriciteit of tussen 345 en 1725 MWh warmte) krijgen voor 400 € een pakket ter waarde van 4.000 € aangeboden. Deze investeringen verdwijnen in het niets in vergelijking met de besparing die dergelijke verbruikers kunnen realiseren!

Profex als uw energiecoach

Profex heeft jarenlange ervaring in het begeleiden van bedrijven bij alle mogelijke energievraagstukken: energie-efficiëntie, lokale productie, energie-aankoop, steundossiers … Profex werd door Stad Gent dan ook geselecteerd als een aanbieder van het energiecoachingtraject (Medium / Maxi), en voerde op deze wijze reeds verschillende trajecten uit. We laten graag één van onze bedrijven aan het woord:

“Door bewezen kennis van zaken, gaf de energiecoach ons een goede bevestiging van onze activiteiten, maar opende hij tegelijkertijd onze ogen op andere vlakken. Zo werd het grootste potentieel geïdentificeerd bij een reeds gedane investering van een warmte-krachtkoppeling. Met enkele relatief kleine ingrepen kon de efficiëntie van de installatie fors geoptimaliseerd worden. Al de initiatieven bij elkaar genomen, kwam de energiecoach uit op gezamenlijke potentiële besparing van ruim 10% in CO² wat uiteraard een significante verbetering is voor het milieu. De initiatieven werden niet alleen geëvalueerd naar milieu-impact, maar ook een degelijke financiële analyse werd opgesteld. Zo werd berekend dat de initiatieven een gezamenlijke besparingen kunnen betekenen van 19% op onze energiefactuur. Op deze manier werd ook slagkracht meegegeven in het nemen van beslissingen door het management. Kortom, wij waren meer dan tevreden over het doorlopen traject en de samenwerking met de energiecoach en Stad Gent.”

Energiecoaching voor uw bedrijf?

Wenst u meer info over energiecoaching voor Gentse bedrijven, of over de uitvoeringsmodaliteiten? Lees dan hier verder. Meer informatie over de energiepremies vindt u hier terug. Wil u graag weten welke energie-besparingen in uw bedrijf mogelijk zijn, dan kan u steeds terecht bij ons team van energiedeskundigen.

Vernieuwde website United Experts


Profex is een merk van United Experts cvba. In dit netwerkt vindt u tal van andere spelers die ook bij uw project betrokken kunnen worden, afhankelijk van uw wensen en noden. Dat is dé kracht van ons netwerk. Ontdek dit sterke netwerk en wat wij voor u kunnen betekenen op de vernieuwde website van United Experts. Voor al uw vragen omtrent een specifiek project kunt u uiteraard gewoon uw Profex-consulent contacteren.

Jaarlijkse meetcampagne afvalwaterheffing


meetcampagne afvalwaterheffingKiest u voor de uitgebreide berekeningsmethode van de afvalwaterheffing op basis van meetgegevens van het geloosde afvalwater? Vergeet dan zeker niet in de maand van de hoogste productiviteit een meetcampagne te laten uitvoeren door een erkend labo!

Afhankelijk van het laatst vastgestelde heffingsbedrag, moet men een 3- of een 5-daagse meetcampagne uitvoeren. Tijdens zo’n meetcampagne wordt de werkelijk geloosde vuilvracht en de hoeveelheid van het geloosde afvalwater vastgesteld door een erkend labo. Deze campagne moet u ook melden aan VMM en moet voldoen aan de richtlijnen van VMM.

Heeft u hierover advies nodig en wilt u laten berekenen of de heffing via uitgebreide berekeningsmethode voordeliger is voor u als ondernemer? Neem dan zeker contact op met uw Profex-consultant!

Nieuwe regels voor PAK-houdend asfaltgranulaat


Het gebruik van PAK-houdend asfaltgranulaat en PAK-houdend zeefzand valt niet meer onder het eenheidsreglement voor gerecycleerde granulaten. Die wijziging van het VLAREMA (het Vlaams Reglement voor het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen) werd in december 2016 al goedgekeurd. PAK-houdend asfaltgranulaat en PAK-houdend zeefstand staan voortaan dus vermeld in bijlage 2.2 van het Vlarema onder afdeling 2 voor gebruik als bouwstof.

Concreet betekent dit dat er voor het hergebruik ervan een grondstofverklaring moet aangevraagd worden bij de OVAM.

Strikte voorwaarden

Met de grondstofverklaring kan nog tot 1 mei 2019 PAK-houdend asfaltgranulaat als grondstof gebruikt worden onder strikte voorwaarden, zoals bepaald in artikel 5.3.3.4 van VLAREMA: enkel in grootschalige geïnventariseerde werken en bij gebruik op koude wijze in een fundering die bestaat uit asfaltcement. De houder van de grondstofverklaring moet voortaan aan de OVAM melden waar het PAK-houdend asfaltgranulaat zal worden toegepast. Dat zal mogelijk zijn via een OVAM-webtoepassing.

Het aanvraagdossier omvat o.m. volgende gegevens[1]:

  • Gewenste gebruik van het materiaal als grondstof
  • Identificatiegegevens van de aanvrager
  • Identificatiegegevens van de grondstoffenproducent
  • Identificatie van het materiaal met vermelding van de jaarlijks geproduceerde hoeveelheid en EURAL-code
  • Overzicht productieproces
  • Kopie van de vergunning
  • Analyse op de beoogde grondstof
  • Beschrijving beoogde toepassing
  • Handtekening

Na 1 mei 2019 mag PAK-houdend asfaltgranulaat niet meer als bouwstof gebruikt worden. Vanaf dan kan het PAK-houdend zeefzand of asfaltgranulaat enkel nog thermisch gereinigd worden: een alternatief dat ook nu al mogelijk is en in sommige bestekteksten voor overheidsopdrachten al wordt voorzien. Aan de hand van een PAK-spray-test kan vastgesteld worden of het materiaal al dan niet PAK-houdend is.

Wilt u ook PAK-houdend asfaltgranulaat of zeefzand hergebruiken en heeft u een grondstofverklaring nodig? Contacteer dan zo snel mogelijk uw Profex-consultant voor meer info!

[1] Bron: Vlarema, afdeling 2.4 Grondstofverklaring

Gewijzigd energiebesluit


Gewijzigd energiebesluit

 

Sinds 1 juli 2017 is het gewijzigde energiebesluit van kracht. Hierbij zijn er enkele belangrijke aandachtspunten in verband met groenestroom- en warmtekrachtprojecten. We zetten ze graag voor u even op een rijtje.

 

 

In verband met de projectcategorieën:

  • De projectcategorieën voor stortgas en biogas uit rioolwater- of afvalwaterzuivering worden geschrapt. Deze projecten worden geacht rendabel te zijn zonder groenestroomcertificaten.
  • Kleinschalige vergisters met < 10 kW elektrisch vermogen hebben geen recht meer op exploitatiesteun via groenestroomcertificaten.
  • Het VEA geeft aan dat het een voorstel heeft voor een overgang naar een investeringssteun voor kleinschalige vergisting. Meer info hierover is nog niet gekend.
  • “vergisting van hoofdzakelijk mest- en/of land- en tuinbouw gerelateerde stromen” zal samen vallen met “overige vergisters”. Dit betekent dat industriële en agrarische vergisters worden samengevoegd.
  • Deze wijzigingen gelden voor projecten met startdatum vanaf 1 januari 2018.

 

In verband met beschikbare warmte:

  • Het begrip “theoretisch technische levensduur” (TTL) wordt ingevoerd.
    Dit betekent dat een WKK-eenheid op basis van een interne verbrandingsmotor na 10 jaar in dienst de TTL overschrijdt en als “versleten” wordt beschouwd. Voor WKK-eenheden op basis van een turbine wordt dit 15 jaar. De genset waarvan de TTL overschreden is, zal geen beschikbare warmte meer leveren.
    Het begrip TTL is onmiddellijk en voor alle installaties (ook de reeds bestaande installaties!)  van toepassing.
     
  • De referentieperiode voor de beschikbare warmte wordt aangepast voor alle installaties waarvoor nog geen definitieve certificatenaanvraag is ingediend op 1 juli 2017.
    De referentieperiode zal voorafgaan aan de eerste dag van de maand waarin de nieuwe warmte-krachtinstallatie in dienst wordt genomen. De referentieperiode is twee jaar voor warmte-krachtinstallaties met motoren en drie jaar voor warmte-krachtinstallaties met turbines.

 

Profex is sterk vertrouwd met de berekeningsmethodes voor beschikbare warmte en de correcte toepassing van de referentieperiode. Neem contact met ons op als u de impact van beschikbare warmte op uw installatie wilt kennen.

Omgevingsvergunning uitgesteld


Omgevingsvergunning uitgesteldDe invoering van de omgevingsvergunning, de samenvoeging van de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning, wordt voor steden en gemeenten uitgesteld tot 1 januari 2018. Door de aanhoudende problemen met de software is de deadline van 1 juni 2017 onmogelijk geworden. Dat staat in een voorstel van decreet dat via spoedbehandeling unaniem is goedgekeurd in het Vlaams Parlement.

Profex houdt je op de hoogte!

  • De deadline van 1 juni 2017 voor de volledige implementatie van de omgevingsvergunning, is opgeschoven naar 1 januari 2018 voor de dossiers waarbij de gemeente de bevoegde overheid is (zoals klasse 2 en klasse 3 bedrijven) met uitzondering van Dilsen-Stokkem, Herstappe, Langemark-Poelkapelle, Staden, Beersel en Diest. Voor de dossiers bij alle andere gemeentes worden de vroegere procedures gevolgd. En moet er dus een milieuvergunningsaanvraag of stedenbouwkundige aanvraag gebeuren volgens de vroegere wetgeving en formulieren en Digitale Bouwaanvraag loket. Tot 1 januari 2018 kunnen voor deze dossiers dus geen gemengde aanvragen (milieu en bouw in 1 aanvraag) ingediend worden.

 

  • De aanvragen en andere dossiers die ingediend moeten worden bij de provincies of Vlaams Gewest (zoals klasse 1 bedrijven) en die al verplicht sinds 23 februari 2017 het nieuwe omstreden digitale omgevingsloket gebruikten, ondergaan geen wijziging door dit spoeddecreet. Voor deze bedrijven blijft alles hetzelfde. Zij implementeren verder de nieuwe procedureregels van de omgevingsvergunning. Ook de bovengenoemde 6 gemeenten die het digitale omgevingsloket en de bijhorende procedures al gebruikten, blijven dit verder zetten.

Heeft u al een dossier lopen, of wil u een dossier opstarten waarbij de gemeente de bevoegde overheid is, dan hebben u en uw consultant tijd om dit volgens de oude procedures te doen tot en met 31 december 2017.

Heeft u nog vragen? Contacteer uw Profex-consulent. We helpen u graag verder!

Ligt uw bedrijf zonevreemd? Wat zijn de mogelijkheden?


In Vlaanderen liggen circa 23.000 bedrijven geheel of gedeeltelijk zonevreemd. Dat zijn er heel wat! Wat moet u doen wanneer u wil uitbreiden? Want in principe is een bouwvergunning voor bedrijvigheid daar uitgesloten.

Zo kan een zonevreemd bedrijf u, als bedrijfsleider, heel wat zorgen baren. Of er voor uw bedrijf mogelijkheden zijn en hoe groot de slaagkans tot regularisatie is, hangt af van een aantal factoren.

Wat is dat, zonevreemd zijn?

Volgens de wetgeving is een bedrijf geheel of gedeeltelijk zonevreemd, wanneer het volgens het vigerende plan niet of niet volledig in de juiste bestemmingszone ligt. Dit heeft in essentie niets te maken met het al dan niet stedenbouwkundig vergund zijn van de gebouwen. Ook een bedrijf met de nodige stedenbouwkundige vergunningen kan dus perfect zonevreemd zijn omdat het in een zone ligt met andere bestemmingsvoorschriften.

  • Een voorbeeld: een grondwerker/breekwerf is gelegen in agrarisch gebied hoewel hij stedenbouwkundig op een bedrijventerrein voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s thuishoort.

Hoe wordt een bedrijf zonevreemd?

Er zijn verschillende mogelijkheden. Ofwel gaat het om een historisch gegroeide situatie. In het aangehaalde voorbeeld is het grondwerkbedrijf ooit gestart als loonwerker, een activiteit die thuishoort in landbouwgebied. Door de groei en diversificatie van het bedrijf, ontplooit het bedrijf meer grondwerkactiviteiten en verdwijnt de loonwerkactiviteit naar de achtergrond, om tenslotte volledig stopgezet te worden. Wat overblijft is een zonevreemd bedrijf, op basis van de functie die het uitoefent, weliswaar met een lange (agrarische) traditie en de nodige stedenbouwkundige vergunningen op die locatie. Functiewijzigingen zijn trouwens sinds 1984 stedenbouwkundig vergunningsplichtig.

Een bedrijf kan ook zonevreemd worden door een wijziging in de bestemmingsplannen. De huidige gewestplannen dateren van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. De meeste zijn opgemaakt in 1977 of 1978. Op dat moment werden heel wat bedrijven voor het eerst zonevreemd. In de jaren negentig ondergaat de wetgeving op de ruimtelijke ordening in Vlaanderen een metamorfose: het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen ontstaat en in 1999 komt er een nieuw decreet op de ruimtelijke ordening. Vanaf dan worden de gewestplannen niet meer aangepast maar is het aan de provincies en de gemeenten om ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP) op te maken. Daar is de overheid momenteel volop mee bezig. Zo kan het dus gebeuren dat een RUP de bestemming van het gewestplan niet overneemt maar wijzigt, en een bedrijf dat zone-eigen was, zonevreemd wordt.

Mogelijkheden tot regularisatie?

Wat de oorzaak is van het zonevreemd karakter, maakt eigenlijk geen verschil. Op welke manieren een bedrijf zone-eigen kan worden, is veel belangrijker. De overheid hanteert voor zonevreemde bedrijven een visie op korte, middellange en lange termijn. Afhankelijk van de plaatselijke situatie en de activiteiten, kan een bedrijf dus blijven voortbestaan of moet het zich in regel stellen, of op termijn zijn activiteiten op die plaats stoppen. Er zijn verschillende regularisatiemogelijkheden.

Opmaak van een sectoraal bijzonder plan van aanleg (BPA) voor zonevreemde bedrijven of een RUP zonevreemde bedrijven

Het initiatief hiervan ligt steeds bij de overheid en wordt genomen voor een groep ondernemingen. Ligt uw bedrijf in een zone waarvoor een sectoraal BPA of RUP opgemaakt wordt, dan is het goede nieuws dat uw bijdrage in de kosten relatief beperkt is. Aan de andere kant bent u wel afhankelijk van de timing van het volledige project. De procedure is vrij omslachtig en dus tijdrovend.

Aanvraag van een planologisch attest

Het initiatief ligt bij u. Een planologisch attest is een individueel dossier, enkel geldig voor uw bedrijf. De kosten zijn dan ook volledig voor de aanvrager. Het moet gaan om een VLAREM-plichtig bedrijf. Wordt het dossier afgekeurd, dan is er geen beroep mogelijk. Er kan enkel een nieuw dossier ingediend worden. Maar dit kan pas één jaar na het eerste dossier. Deze één jaar – regel geldt trouwens voor alle planningsinitiatieven, dus ook voor een RUP en een BPA.

Vergunning op basis van het koninklijk besluit (KB) in verband met de vergunbare functiewijzigingen

In het KB van 28 november 2003 worden er een aantal mogelijkheden geboden om bepaalde functiewijzigingen toch te vergunnen, ook al zijn ze in wezen zonevreemd. Dit kan enkel voor bestaande, niet verkrotte en hoofdzakelijk vergunde gebouwen of gebouwencomplexen die niet gelegen zijn in ruimtelijk kwetsbaar gebied, met uitzondering van parkgebieden en agrarisch gebied met ecologische waarde of ecologisch belang, en recreatiegebieden.

Enkele voorbeelden

Voor uw thuissituatie is het misschien interessant om te weten dat woningen gedeeltelijk als kantoor (of vrij beroep of diensten) gebruikt kunnen worden indien de kantoorfunctie niet groter is dan 100 m² en niet groter is dan de woonfunctie.

In bepaalde omstandigheden is het ook mogelijk een gebouw in industriegebied te gebruiken als kantoor of diensten, met uitzondering van handel en horeca. Gebouwen in industriezone kunnen ook omgevormd worden voor luidruchtige binnenrecreatie (bv. karting). Evenzeer kan een gebouw in agrarisch gebied vergund worden voor loutere opslag wanneer het deel uitmaakt van een gebouwengroep en nog een aantal andere voorwaarden voldaan zijn.

Besluit

Aangezien zowel de provinciale als de gemeentelijke overheden momenteel bezig zijn met de opmaak van de ruimtelijke plannen, houdt u best de vinger aan de pols! Informeer actief en periodiek naar de situatie voor uw bedrijf, zodat u niet voor verrassingen komt te staan. Voor de opmaak van de structuur- en uitvoeringsplannen, wordt u als bedrijf immers niet persoonlijk verwittigd. Deze dossiers worden wel algemeen bekend gemaakt. Hou dus zelf uw situatie in de gaten zodat u, indien nodig, een bezwaarschrift kan indienen. Informeer ook wat er in uw buurt te gebeuren staat. Wanneer er via een RUP vlak naast uw bedrijf, gelegen op industriegebied, een woongebied gecreëerd wordt, kan dit voor uw bedrijf ook bijkomende moeilijkheden veroorzaken.

Is uw bedrijf op dit moment al zonevreemd, bekijk dan zeker wat de regularisatiemogelijkheden zijn en of deze overeenstemmen met de toekomstplannen van uw bedrijf.

Neem contact op met één van onze Profex-consultants om uw situatie te bekijken. Door onze nauwe samenwerking met DLV, studie- en adviesbureau voor de agrarische sector, hebben wij alle kennis in huis om u verder te helpen, zeker wanneer uw bedrijf in landbouwgebied ligt.

Nieuwe infobrochure: investeren in kleinschalige woonvormen in de zorg


Een zorgvuldige investering loont! Denkt u na over een investering in een zorgproject? Profex begeleidt u graag verder. Vraag hier onze infobrochure aan.

In deze brochure leest u meer over:
° de evoluties op de markt en het wijzigend overheidsbeleid
° zorgwonen, woningdelen, thuiszorg ... de klassieke modellen verdwijnen
° stedenbouwkundige evaluatie van uw project
° financiële haalbaarheid
° juridische vorm van exploitatie

De inhoud wordt ook voorgesteld aan de hand van een aantal realisaties.

Historisch hoofdgebouw op be-MINE site wordt hoofdkantoor van United Experts


Historisch hoofdgebouwOp de grootste industriële erfgoedsite van Vlaanderen vindt ons bedrijf United Experts een nieuwe locatie voor het hoofdkantoor. United Experts groepeert studie- en adviesbureaus die elk hun specialiteit hebben op het vlak van bouw, milieu en energie. Aangezien de groep blijft groeien, moest ze op zoek naar een nieuwe locatie voor het hoofdkantoor. Het hoofdgebouw van de mijnsite in Beringen bleek geschikt als vervanger voor het kantoor in Heusden-Zolder.

Dat United Experts net daar een nieuwe thuis vindt, is symbolisch. De mijnsite vormde de tussenstap tussen grondstoffen en industriële verwerking. Bij het ontstaan van DLV, het eerste studie- en adviesbureau waaruit United Experts ontstond, lag de focus namelijk op de landbouw, de grondstoffen dus. Door de jaren heen bleek echter dat ook de verwerkers van die landbouwgrondstoffen specifiek advies vroegen. Voor de industriële bedrijven en KMO’s werd, naast DLV, het bijkomend merk Profex opgericht, en zij ontwikkelden verder hun eigen expertise en cliënteel.

De adviesgroep groeit

Bij de adviesgroep sloten ook andere consultants en experts zich aan zoals Landmax, Parallel-architecten, Innolab en BDA-engineering waardoor de adviesgroep heel diverse diensten aanbiedt. Het bedrijf heeft ondertussen 7 kantoren, goed verdeeld over Vlaanderen en Wallonië, waar zo’n 150 medewerkers actief zijn. Het hoofdkantoor was gevestigd in Heusden-Zolder, dat nu dus te klein was geworden.

De Vlaamse overheid heeft geïnvesteerd in de restauratie van het prachtige gebouw dat behoort tot ons industrieel erfgoed. Ook de stad Beringen en de provincie Limburg droegen hun deel bij. Dankzij deze inspanningen bleef een historisch gebouw bewaard en krijgt het nu de kans tot een nieuw leven. United Experts neemt met deze aankoop de verantwoordelijkheid voor het behoud en het nuttige gebruik van het gebouw op zich. Het gebouw telt twee bouwlagen met een totale nuttige oppervlakte van 1.210 m². United Experts kan nu aan de slag voor de restauratie van de binnenkant tot een aangename werkomgeving voor haar medewerkers en een mooie ontmoetingsplaats voor haar klanten, en dit in samenspraak met  Onroerend Erfgoed. Dat kan geen probleem vormen aangezien de consultants van United Experts goed vertrouwd zijn met die erfgoedwetgeving.

Volg de werken op de voet

Binnenkort verhuist dus onze maatschappelijke zetel van Heusden-Zolder naar Beringen. We houden u op de hoogte van de exacte datum. Hou zeker ook onze facebookpagina in het oog, want daar leest u het eerst!

hoofdkantoor van United Experts hoofdkantoor van United Experts hoofdkantoor van United Experts hoofdkantoor van United Experts

Binnenkort nieuwe regels bij afbraak en slopen van gebouwen


Door de publicatie in het Belgisch Staatsblad op 4 mei worden de nieuwe regels voor het verwerken en verwijderen van het sloop- en afbraakmateriaal alvast duidelijker. Graag geven we u hier wat meer uitleg over.

Afhankelijk van de grootte van het project (gebouwen met een volume van minder of meer dan 1.000 m3, bruggen en tunnels of infrastructuurwerken) zijn andere procedures van toepassing.

Voordat de sloop-, ontmantelings- en renovatiewerken beginnen, moet er een traceerbaarheidstraject doorlopen worden. Met deze veranderingen wil men de afbraakmaterialen zoveel mogelijk sturen naar hergebruik en recyclage.

Traceerbaarheidstraject

Als eerste stap moet een sloopopvolgingsplan opgemaakt en bezorgd worden aan de sloopbeheerorganisatie (Tracimat). De start van de werken moet minimum 24 uur op voorhand gemeld worden. Hierbij moet men speciale aandacht hebben voor het verwijderen van gevaarlijke en storende afvalstoffen.

Afhankelijk van de procedure kan het mogelijk zijn dat de deskundige nog een controlebezoek moet uitvoeren. De uitvoerder van de werken moet vooraf aan de afvoer en/of verwerking van het sloopmateriaal een verwerkingstoelating aan te vragen. Op die manier kan de afvalverwerker het sloopmateriaal indelen als puin met een laag milieurisicoprofiel of met een hoog milieurisicoprofiel. Dit heeft uiteraard ook een invloed op de kostprijs van verwerking.

Ten laatste 30 dagen na de oplevering van de werken moet de uitvoerder een sloopattest aanvragen waarin het gehele proces gedocumenteerd wordt via onder andere een overzicht van de afgevoerde stoffen, een verklaring dat de afvalstoffen selectief werden ingezameld op de afbraakwerf en een overzicht van de ontvangstbewijzen van de verwerkingsinstallaties.

Vanaf wanneer?

Het is nu nog wachten op de publicatie van de erkenning van de sloopbeheerorganisatie zodat vanaf 2018 alles in werking kan treden.

Heeft u als bouwheer, afbraakbedrijf of puinverwerker nog vragen? Wij tonen u graag de weg in deze nieuwe regelgeving zodat u bent voorbereid. Ook voor de opmaak van een sloopinventaris kan u nog steeds bij ons terecht.

Binnenkort nieuwe regels bij afbraak en slopen van gebouwen

Besparen op uw energiefactuur?


Iedereen krijgt ermee te maken: energiecontracten en energiefacturen. Meestal volstaat een korte blik op de factuur om in te zien dat energie duur is, en dat de factuur niet zo eenvoudig is om te ontcijferen – de gedetailleerde tabel beslaat vaak meer dan één pagina. De factuur wordt betaald en verdwijnt in de kast.

Toch geeft u uw energiecontracten best eens een opfrisbeurt. 

De elektriciteitsmarkt is de voorbije jaren namelijk sterk veranderd: waar de groothandelsprijzen (ICE Endex Base) voor elektriciteit in 2011 nog wedijverden met 60 euro per MWh, is dat vandaag amper 35 euro per MWh.

Ook voor aardgas geldt een sterke marktdaling sinds 2011. Waar groothandelsprijzen in 2011 piekte op ruim 28 euro per MWh, spreken we vandaag nog over amper 17 euro per MWh.

En uw energiecontract?

Dat heeft van die daling misschien niets of toch onvoldoende gemerkt.

Profex gaat voor u op zoek naar een competitief energiecontract. U ontvangt een overzichtelijke grafiek met daarop een verklaring voor uw huidige energiekosten, en een overzichtstabel hoeveel u kan besparen bij enkele nieuwe leveranciers.

Is uw jaarlijks elektriciteitsverbruik kleiner dan 50 000 kWh en uw gasverbruik lager dan 100 000 kWh, dan kunt u direct overstappen en besparen, wat uw huidige contract ook zou inhouden.

Is uw jaarverbruik hoger, dan moet u de looptijd van uw contract nakomen en kunt u reeds nu een contract voor levering in de toekomst afsluiten bij een nieuwe leverancier. Profex maakt dit voor u in orde.

Last but not least: de energie die u niet verbruikt is de goedkoopste energie! Energiebesparing kan met een minimum aan energie. De eerste stap naar energiebesparing zet je hier.

Wijzigingen brandwetgeving scheppen mogelijkheden


Het Koninklijk besluit van 7 juli 1994 en zijn bijlagen, de basisnormen brand, werden aangepast. Vanaf 1 april 2017 gelden er strengere basisnormen voor brandveiligheid van nieuwe gebouwen en uitbreidingen van bestaande gebouwen. Met onder meer nieuwe voorschriften voor de brandveiligheid van elektrische en hydraulische liften, wijzigingen voor de handel in bouwproducten en een aangepaste overgangsregeling voor het gebruik van de Belgische normen op het gebied van brandweerstand en reactie bij brand van bouwproducten.

Maar er is ook goed nieuws.

De nieuwe regels scheppen in sommige gevallen ook mogelijkheden.

  • Voor projecten met gecombineerde functies, waarbij industriële en niet-industriële activiteiten in één gebouw plaats vinden, (vb. een loods met kantoren, een showroom met werkplaats, een houtzagerij met opslagloods, …) gelden voortaan soepelere compartimenteringseisen wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
  • Stalen trappen in omsloten trappenhuizen zijn voortaan toegelaten voor lage gebouwen.
  • Nieuw:  mogelijkheid tot triplex-compartimenten.
  • En nog veel meer …

Contacteer uw Profex consultant voor meer info over de mogelijkheden binnen de nieuwe wetgeving brandveiligheid.

OVAM lanceert webloket voor EVOA-dossiers


EVOA-dossiers, voor het internationale transport van afvalstoffen, dient u voortaan makkelijk en snel in via het online kennisgevingsloket. Nog beter, uw Profex consultant heeft hier ervaring mee en brengt voor u uw dossier in orde.

Voor alle afvalstoffen bestemd voor verwijdering en voor afvalstoffen van de oranje lijst en voor niet-genoemde afvalstoffen, is een kennisgeving noodzakelijk. Tot voor kort moest u deze kennisgevingsdossiers voor het internationale transport van afvalstoffen op papier indienen. Voor elk EVOA-dossier moest u een afschrift toevoegen en een extra exemplaar voor elk doorvoerland.

Voor het indienen van uitvoerdossiers vanuit het Vlaamse Gewest (BE001) kunt u nu het online kennisgevingloket gebruiken. Met dat webloket dient u de bijlagen digitaal in. U hoeft dan geen volledig papieren kennisgevingsdossier per post in te dienen of afschriften toe te voegen. Alleen het originele attest van de bankwaarborg, het vervoersdocument en het ondertekende kennisgevingsdocument stuurt u nog per post naar de OVAM. Ook na het indienen van het kennisgevingsdossier kunt u via het webloket nog bijlagen indienen.

Het webloket heeft nog meer troeven. Zo kunt u er nieuwe dossiernummers aanvragen (nummers die beginnen met BE001). De nummers zijn onmiddellijk beschikbaar. U vermeldt ze in o.a. het contract en de bankwaarborg.

Wilt u dit liever uitbesteden en de zekerheid hebben dat uw dossiers correct zijn ingediend? Contacteer Profex en wij helpen u verder.

Profex verbouwt kantoor Wetteren


Plan van het kantoor te Wetteren

Ons kantoor te Wetteren wordt verbouwd. Volg hier de veranderingen op de voet. Ontdek bovendien wat Profex kan betekenen voor uw bouwproject. Het ontwerp werd gemaakt door Parallel Architecten.

Eind april werd de voorgevel afgebroken en de eerste ramen werden verwijderd. Nadien zijn de grondwerken gestart. Binnenkort meer nieuws.

Profex verbouwt kantoor Wetteren Profex verbouwt kantoor Wetteren Profex verbouwt kantoor Wetteren Profex verbouwt kantoor Wetteren

Is uw asbestinventaris in orde?


Een asbestinventaris voor bedrijven is al verplicht sinds 1995. Maar de overheid wil tegen 2040 Vlaanderen volledig asbestvrij hebben. Daarom zal vanaf 2018 de verplichting tot asbestinventarisatie uitgebreid worden naar de verkoop van privéwoningen.

Wie in de toekomst een huis wil verkopen, zal een ‘digitale woningpas’ nodig hebben. Hierop zullen allerlei gegevens van de woning staan, zoals het bodemattest en het energiecertificaat. Die moet je nu al aan de verkoopakte toevoegen. Binnenkort komt daar ook een verplicht onderzoek naar asbest bij, de asbestinventaris dus.

De consultants van Profex helpen u graag bij het opstellen van deze asbestinventaris.

Bodemonderzoek bij risicopercelen


Bodemonderzoek bij overdrachten van delen van risicopercelen.

Profex krijgt vaak vragen in verband met bodemonderzoeken bij overdrachten van delen van risicopercelen. Indien aan bepaalde voorwaarden voldaan is, kan de overdracht doorgaan. En dit zonder dat men voorafgaand een oriënterend bodemonderzoek moet uitvoeren.

Na overdracht zal dit deel kadastraal genummerd worden, maar blijft dit perceel echter opgenomen als risicoperceel. Hierdoor zal deze problematiek bij daaropvolgende overdrachten terugkomen. Om dit te vermijden is er een definitieve oplossing nodig.

Studie- en adviesbureau Profex kan u hierin begeleiden. Profex is erkend bodemsaneringsdeskundige type II en heeft veel ervaring met complexe overdrachten.

Bodemonderzoek bij risicoperselen

Energiebesparing met minimum aan energie


Het verloop van een energie-audit

Aan de hand van beschikbare facturen, meetgegevens of data, die door ons verzameld worden op de site via een overleg of met eigen meetapparatuur, wordt het energieverbruik van uw bedrijf in kaart gebracht. Nadien onderzoeken we de besparingsmogelijkheden. Na het doorvoeren van een aantal berekeningen komen we tot concrete potentiële besparingsmogelijkheden. Door dit overzicht van bepaalde maatregelen en acties kan u op doordachte wijze beslissen of u deze uitvoert.

In grote lijnen baseert onze studie zich op de volgende pijlers:

  • Het verlagen van uw effectieve energieverbruik. Onder andere door de identificatie van de voornaamste energieverbruikers zodat maatregelen opgesteld kunnen worden om hun verbruik te drukken. Veel voorkomende problemen zijn te vinden bij o.a. verlichting,verwarmingsinstallaties, leidingverliezen, isolatie, koeling, persluchtlekken…
  • Het analyseren van de aard van uw energieverbruik; zo kunnen pieken in vermogen of sluipverbruiken worden opgespoord, om daarna maatregelen te ondernemen die verder inefficiënt verbruik kunnen vermijden.
  • Het optimaliseren van uw huidig afname- of injectiecontract. Hierbij wordt nagegaan of de prijzen die u betaalt voor elektriciteit, gas of stookolie nog steeds marktconform zijn.
  • Een studie m.b.t. eigen productie van elektriciteit en/of warmte; hierbij kan o.a. gedacht worden aan het installeren van zonnepanelen, zonneboilers, warmte-krachtkoppeling…

Met behulp van een gedetailleerd en gepersonaliseerd energieactieplan geven we voor elke geïdentificeerde energiebesparende maatregel een indicatie van de mogelijke financiële besparing, de investeringskost, de terugverdientijd, de IRR (Internal Rate of Return), de primaire energiebesparing en de mogelijke verminderde CO2-uitstoot. Op die manier heeft u een overzichtelijke weergave van interessante maatregelen en kan gemakkelijk ingeschat worden welke maatregelen reeds op korte termijn gerealiseerd kunnen worden. Hierdoor is het mogelijk om met een minimum aan eigen werkinspanning heel wat energie te besparen.

Daarnaast is de realisatie van energiebesparingen niet enkel financieel opportuun. Ook kan dit eventueel een meerwaarde bieden op vlak van promotie. Door inspanningen te leveren die getuigen van een bewuste en efficiënte omgang met energie, bent u tevens bezig met de impact op milieu en omgeving te beperken.

Referentie

In deze sectie worden een aantal voorbeelden aangehaald ter illustratie van de bovenstaande uitleg m.b.t. een energie-audit. De voorbeelden zijn telkens gebaseerd op reële situaties. Hierdoor wordt bovenstaande uitleg over de inhoud van een energie-audit wat concreter.

Op onderstaande foto ziet u één van de frequent voorkomende problemen. Het is duidelijk  dat er zich besparingsmogelijkheden op energieverbruik voordoen bij onderstaande afsluiters op stoomcollectoren in het ketelhuis van een stoomketel. Dit specifiek probleem vindt echter niet enkel plaats bij het gebruik van stoom, ook in een warmwatercircuit blijkt dit veelvoorkomend.

Energie besparen

Ook geeft onderstaande grafiek een overzichtelijk beeld omtrent een aantal veel voorkomende besparingsmogelijkheden. Ook hier werden gegevens gebruikt die verzameld zijn in een reële situatie. Voor een aantal energieverliezen werd hun financiële kost t.o.v. de totale kost per energiebron grafisch weergegeven. Verder wordt ook de terugverdientijd van de overeenkomstige maatregelen afgebeeld. De grafiek geeft bijgevolg zowel een idee van de hoeveelheid energie die bespaard kan worden, wat jarenlang resulteert in een lagere energiefactuur, als van de vaak korte termijn waarmee investeringen terugverdiend kunnen worden.

Energie audit

Over ons

Profex heeft reeds vele kleine en grote bedrijven begeleid in hun zoektocht naar het verlagen van hun energiekosten en/of het verhogen van hun energie-inkomsten. Daardoor heeft Profex een uitgebreide ervaring met het uitvoeren van energie-audits in zowel de industrie, kmo als zorgsector. Om dit alles op een grondige en efficiënte manier te kunnen uitvoeren, heeft Profex verschillende door de Vlaamse overheid aanvaarde energiedeskundigen in huis. U kan dus gerust zijn dat u in goede handen bent bij ons. Meer weten over de energie-audit? Contacteer ons energie-team.

De omgevingsvergunning voor stedenbouwkundigen


De integratie van de huidige stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning is een logische stap. In de praktijk is er immers maar één omgeving die beoordeeld kan worden. Maar de invoering zorgt natuurlijk voor een aantal wijzigingen in de aanvraagprocedure.

Wat wijzigt er in de documenten?

In het uitvoeringsbesluit van 27 november 2015 staat beschreven hoe een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen er precies moet uitzien. Dit uitvoeringsbesluit is op zijn beurt voorzien van 22 bijlagen die alle noodzakelijke documenten van een dossier bevatten. De eerste bijlage bevat het aanvraagformulier. Hierin zit het belangrijkste document.

Aan de hand van ja/neen vragen, aankruisvakjes en doorverwijzingen wordt u door het aanvraagformulier en de verschillende bijlagen heen geslingerd. Bij de klassieke aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning telt het formulier vier bladzijden. Het nieuwe aanvraagformulier bij de omgevingsvergunning telt maar liefst zesentwintig bladzijden. Nieuw is dat u voortaan standaard informatie moet indienen over parkeerplaatsen op uw terrein, over de brandveiligheid van uw gebouw enzovoort. Voortaan is de sloopinventaris ook verplicht in het aanvraagdossier. In het verleden werd een dergelijke inventaris, ondanks de wettelijke verplichting, al eens over het hoofd gezien bij omvangrijke sloopwerken.

Wat wijzigt er in het tekenwerk?

In hoofdzaak blijft het tekenwerk voor een stedenbouwkundige handeling bij een omgevingsvergunning hetzelfde als bij een klassieke aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning. Om de leesbaarheid en de interpretatie van het voorwerp van de aanvraag maximaal te houden, draagt de overheid voor om één tekening te maken per toestand. In de praktijk betekent dit dat we best een onderscheid maken in bijvoorbeeld vergunde toestand, bestaande toestand en nieuwe toestand.

Verder wordt kleurgebruik gestimuleerd. Bij grondplannen moet standaard per ruimte de functie vermeld worden. Indien er meer dan vier gevels zijn, moet er een schematische voorstelling bijgevoegd worden om de individuele gevels te identificeren. Een afzonderlijke langs- en dwarsdoorsnede van de constructie is noodzakelijk wanneer de complexiteit van de constructie dit vereist.

Uw omgevingsvergunning aanvragen?

Wie voor de eerste keer door de nieuwe documenten van de aanvraag voor een omgevingsvergunning gaat, wordt misschien afgeschrikt door de hoeveelheid informatie die gevraagd wordt. Ook de manier waarop de diverse documenten aan elkaar gekoppeld zijn, zal voor veel stedenbouwkundigen een aanpassing vergen. Het digitaliseren van het aanvraagformulier en de bijlages en dit op elkaar afstemmen tussen de verschillende platformen (studiebureaus, gemeentes, provincies, gewest) is een heuse klus voor alle partijen. Laat u echter niet ontmoedigen door deze nieuwigheden, Profex is de ideale partner voor het samenstellen en in goede banen leiden van uw dossier.

Vier gemeentes starten morgen met de omgevingsvergunning


Omgevingsvergunning

Dilsen-Stokkem, Herstappe, Langemark-Poelkapelle en Staden starten op 23 februari met de omgevingsvergunning. De gemeenten Beersel en Diest zullen respectievelijk op 18 april en 2 mei starten. Alle overige gemeenten hebben uitstel gevraagd tot 1 juni. Deze vier gemeentes starten morgen dus met de indiening van de aanvragen in het digitaal loket voor omgevingsvergunningen.

Door heel wat software-kelpunten zijn de meeste gemeenten nog niet klaar voor de omgevingsvergunning. Toch veranderen er al enkele zaken op donderdag 23 februari. Zo verlopen aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning met medewerking van een architect vanaf dan verplicht digitaal. En milieuvergunningen aangevraagd na 23 februari zijn van onbepaalde duur, behoudens uitzonderingen.

De consultants van Profex staan alvast klaar om morgen alle aanvragen op de juiste manier te begeleiden. Laat u niet afschrikken door deze verandering in het vergunningenlandschap, maar contacteer Profex. We helpen u graag verder.

Nieuwe call groene warmte, restwarmte, biomethaan


De Vlaamse regering heeft voor de vijfde maal een oproep gelanceerd voor het subsidiëren van projecten rond groene warmteproductie (restwarmte, geothermie, lokale biomassa) en biomethaan. Vanaf 1 februari tot 15 maart 2017 kunnen hiervoor aanvragen ingediend worden. Voor deze oproep wordt een budget van 12 miljoen euro vrijgemaakt.

Het grootste deel van het budget wordt ingezet voor de recuperatie van restwarmte gevolgd door geothermie (diepe aardwarmte). Deze categorieën krijgen respectievelijk 6 en 4 miljoen euro toegewezen. Voor de inzet van lokale biomassa en het produceren van biomethaan is telkens 1 miljoen euro voorzien.

Profex voert rentabiliteitsstudies uit m.b.t. dit soort projecten en kan ook de volledige subsidieaanvraag opmaken en opvolgen.

Omgevingsvergunning van start op 23 februari


De Vlaamse regering besliste dat de omgevingsvergunning van start gaat op 23 februari. De omgevingsvergunning verenigt en vervangt de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning, en vanaf volgend jaar de sociaal-economische vergunning. De omgevingsvergunning komt er als antwoord van de Vlaamse Regering op de vraag naar vlottere procedures. Het nieuwe instrument moet ook leiden tot meer rechtszekerheid en betere besluitvorming.

Joke Schauvliege: "De omgevingsvergunning hervormt het vergunningenlandschap grondig. Voortaan worden tegelijk zowel de stedenbouwkundige als milieuaspecten van een project beoordeeld. De aanvragen worden digitaal ingediend bij één loket, het Omgevingsloket, waarna één openbaar onderzoek en één adviesronde worden georganiseerd. Dat is efficiënter, bespaart tijd en leidt tot betere besluiten."

De omgevingsvergunning wordt digitaal behandeld. In tegenstelling tot de huidige milieuvergunning zal de omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd gelden. Toch blijft de inspraak van de bevolking en de bescherming van mens en milieu gewaarborgd. Nieuw is de verplichting voor de overheden om voor bepaalde ingewikkelde projecten op vraag van de initiatiefnemer een projectvergadering te organiseren. De mogelijkheid om de aanvraag tijdens de procedure te wijzigen, moet vermijden dat elk probleem tot het heropstarten van de procedure leidt. De omgevingsvergunning staat dus ook voor oplossingsgerichte vernieuwingen.

Op 23 februari 2017 treedt de omgevingsvergunning in werking op alle niveaus (Vlaanderen, provincies, steden en gemeenten).

Uitzondering voor gemeenten mogelijk

Gemeenten kunnen echter beslissen om de omgevingsvergunning niet vanaf 23 februari 2017, maar later te implementeren. Uitstel van implementatie kan tot uiterlijk 1 juni 2017. Daarna moeten alle gemeenten de procedure van de omgevingsvergunning volgen.

Beslist een gemeente om de implementatie van de omgevingsvergunning uit te stellen, dan zal zij tijdelijk de procedures moeten volgen die geldig waren op 22 februari 2017, dus de regels die golden vóór de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning.

Dat houdt bijvoorbeeld in dat een niet-instappende gemeente:

  • de aanvraag voor de bouw van een woning zal moeten behandelen volgens de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO);
  • de aanvraag voor een klasse 2-inrichting zal moeten behandelen volgens het milieuvergunningendecreet (maar de verleende vergunningen moeten dan wel van onbepaalde duur zijn).

Als de gemeente op basis van het Omgevingsvergunningendecreet bevoegd zou zijn, maar nog niet in de omgevingsvergunning ingestapt is en het een project voor stedenbouwkundige handelingen van een publiekrechtelijk rechtspersoon betreft, dan zal ze de aanvraag voor dit project naar Vlaanderen moeten doorsturen. Op basis van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening volgt deze aanvraag immers de bijzondere procedure.

Een gemeente kan tot 14 februari 2017 beslissen tot uitstel en moet hiervan de minister, bevoegd voor Omgeving, op de hoogte brengen. De lijst met gemeenten die uitstel gevraagd hebben en de datum tot wanneer dat uitstel geldt, zullen te vinden zijn op www.omgevingsloket.be en zullen ook in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd worden.

Waar en hoe uw aanvraag indienen?

Deze beslissingsboom helpt u op weg voor dossiers in te dienen van 23 februari tot en met 1 juni 2017.

Meer info bij uw Profex-consultant.

Heb ik een milieuvergunning nodig?


Bedrijven met klasse 2-activiteiten kunnen nog onder de huidige procedure een milieuvergunning aanvragen. Vanaf 1 januari 2018 start ook voor hen de omgevingsvergunning.

De vergunning is zeer belangrijk voor uw bedrijf aangezien ze bepaalt wat een bedrijf wel en niet mag doen, en onder welke voorwaarden. Daarom is het belangrijk dat uw aanvraag voor uw milieuvergunning grondig wordt aangepakt en correct verloopt. Zeker met de grote veranderingen in het vergunninglandschap, namelijk de start van de omgevingsvergunning, komt er heel wat meer administratie bij te kijken. Profex kan u begeleiden bij de opmaak van uw dossier voor uw vergunningsaanvraag.

Breng vandaag nog uw milieuvergunningsaanvraag in orde. Laat Profex u helpen bij de procedure en administratie.

Vraag vrijblijvend een offerte aan of contacteer ons voor meer info!

Studienamiddag ‘Gevolgen én opportuniteiten van persoonsvolgende financiering’


Gevolgen én opportuniteiten van persoonsvolgende financieringStudienamiddag 'Ontdek de gevolgen én de opportuniteiten van de persoonsvolgende financiering'

Profex organiseert, in samenwerking met KBC en het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, een studienamiddag op 8 maart 2017: is uw voorziening klaar voor de persoonsvolgende financiering (PVF)?

Vanaf 1 januari ondergaat de sector voor personen met een handicap een grote verandering: het invoeren van de persoonsvolgende financiering, die uitgaat van een vraaggestuurde ondersteuning.

Dit betekent dat personen met een beperking een persoonsvolgend budget krijgen op maat van hun vraag naar ondersteuning en zelf kunnen bepalen hoe ze hun ondersteuning organiseren.

Zo'n verandering roept natuurlijk bij iedereen veel vragen op. Het afstemmen van de zorgnood op het zorgaanbod is een hele uitdaging. De invoering van de PVF kent uiteraard gevolgen. Maar ze creëert ook opportuniteiten. Die ontdekt u tijdens deze inspirerende studienamiddag.

PROGRAMMA

  • 16u: Ontvangst
  • 16u15: "Samenwerkingsverbanden, fusies en splitsingen in social profit"
    door Sylvia Thienpont, senior consultant social profit SBB
  • 16u45: "De gevolgen van PVF op het vlak van infrastructuurbetoelaging"
    door Karine Moykens, secretaris-generaal Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
  • 17u15: "Infrastructuur: opportuniteiten, kwaliteit én kostenbeïnvloedende factoren"
    door Griet D'hoop, consultant social profit, finance & build, PROFEX
  • 17u45: PAUZE
  • 18u15: "Over financiering, werking en personeel"
    door Jos Theunis, afdelingshoofd financiering en zorgplanning VAPH
  • 18u45: "Over financieel beheer"
    door Francis Deberdt; senior consultant, Kantoor Huyghe - accountants & belastingconsulenten
  • 19u15: Panelgesprek met Karine Moykens, Kurt Serruys (kantoordirecteur Social Profit en Lokale Overheden KBC), Griet D'hoop, Francis Deberdt, Steven Delooze (Vlaams Welzijnsverbond)
    Moderator: Sofie Van Hecke, Trefpunt Zorg
  • 20u: Netwerkborrel met broodjes

LOCATIE

KBC Arteveldetoren
Kortrijksesteenweg 1100
9051 Sint-Denijs-Westrem
(auditorium - parking onder KBC toren, via Ikea)

INSCHRIJVEN

Inschrijven kan via dit formulier en tot en met 21 februari.

Of via e-mail via info@profex.be

Deze studienamiddag wordt u gratis aangeboden, maar is niet kosteloos. We rekenen een 'no show' fee aan van 100 euro indien u na inschrijving niet aanwezig bent zonder verwittiging vooraf. Maximaal twee personen per voorziening.

In samenwerking met:

KBCWVG Gekleurd VAPHKantoor Huyghe

Heeft u een infiltratietest nodig?


Ontwerp infiltratievoorziening

Om watergevoelige gebieden en rioleringen te ontlasten vereist de verordening over regenwater voor haast alle bouwprojecten het ontwerp van een infiltratievoorziening. Deze stedenbouwkundige verordening dwingt u om een aantal maatregelen te nemen om het water zoveel mogelijk ter plaatse te houden en niet af te voeren naar de riolering. Op deze manier wordt wateroverlast vermeden en blijft het grondwaterpeil op niveau.

Een correct gedimensioneerde infiltratievoorziening
Vanaf 29 september 2016 moet elk op te richten gebouw, constructie of aan te leggen verharding groter van 40 m² aan de normen van de verordening voldoen, ook als deze vrijgesteld is van stedenbouwkundige vergunningsplicht. De plaatsing van een infiltratievoorziening is dan verplicht als het perceel groter is dan 250 m². De bouwheer moet dus rekening houden met een aanzienlijke meerkost voor het ontwerp van deze infiltratievoorziening.

Nauwkeurige metingen van de infiltratiesnelheid kunnen het verschil maken tussen een overgedimensioneerde infiltratievoorziening, en een correct gedimensioneerde voorziening.

Daarnaast kan een infiltratie-onderzoek soms aantonen dat infiltratie niet mogelijk is, bijvoorbeeld als het grondwater te hoog staat of als de ondergrond niet voldoende doorlatend is. Daarom is een correcte meting van de infiltratiesnelheid zeer belangrijk.

Profex voert infiltratietesten uit in eigen beheer, volgens de dubbele ring-infiltrometermethode, en de omgekeerde boorgatmethode.

Wij adviseren u graag over deze infiltratietesten en de aanleg van infiltratievoorzieningen. Meer info bij uw Profex-consulent.

Bespaar op uw afvalwaterfactuur


Bespaar op uw afvalwaterfactuurAfvalwaterheffing: kan u uw afvalwaterfactuur onder controle houden?

Ja! De afvalwaterfactuur wordt grotendeels bepaald door de hoeveelheid en de vervuilingsgraad van het afvalwater, de plaats waarin geloosd wordt (oppervlaktewater of riolering) en dus de noodzaak tot verdere behandeling ervan en het gebruik van afvoerinfrastructuur.

Hoe optimaliseert u uw afvalwaterfactuur?
Er zijn echter heel wat technische en administratieve mogelijkheden om de afvalwaterfactuur te optimaliseren. Binnen het bedrijf kunnen zowel brongerichte maatregelen als end-of-pipetechnologieën worden ingezet om de afvalwaterkost te beperken.

De meest eenvoudige manier is uiteraard afvalwater voorkomen door zo min mogelijk water te verbruiken. Dat kan onder meer door droog te reinigen, te reinigen onder hoge druk, zuiver hemelwater gescheiden af te voeren, cleaning in place, … Ondanks de evidentie van sommige maatregelen, stellen we tijdens wateraudits vast dat dit bij veel bedrijven nog geen ‘common practice’ is.

Profex biedt u oplossingen
Afvalwater kost uw bedrijf geld, zowel voor de zuivering als voor de afvoer. Toch heeft u een invloed op de omvang van de kost en de evolutie ervan in de toekomst. Profex biedt u oplossingen voor de optimalisatie van uw afvalwaterfactuur. We beschikken over de juiste ervaring in bedrijven waar de afvalwaterproblematiek prominent aanwezig is.

Onze consultants volgens zowel de technische als de juridische evoluties inzake afvalwater op de voet en zoeken naar creatieve oplossingen om uw afvalwaterfactuur onder controle te houden. Contacteer Profex vandaag en optimaliseer uw afvalwaterfactuur.

Nieuwe certificatendatabank voor GSC en WKC


Wat heeft de nieuwe certificatendatabank voor u in petto?

In de certificatendatabank worden enerzijds de groenestroom- en warmte-krachtcertificaten, en de garanties van oorsprong, beheerd. De certificatendatabank vormt het platform voor de verschillende partijen die betrokken zijn bij het toekennen, beheren en verhandelen van certificaten en garanties van oorsprong. U kan, als producent van hernieuwbare energie uw certificaten en garanties van oorsprong op elk moment raadplegen, verkopen of inleveren.

De nieuwe certificatendatabank is gebruiksvriendelijk

In deze nieuwe databank kunnen GSC, WKC en garanties van oorsprong tegelijk beheerd worden. De diverse certificatenportefeuilles worden hierdoor in de bestaande databank samengevoegd. Dit maakt het voor u eenvoudiger om alles te beheren.

Inloggen gebeurt via een e-ID of een federaal token. Er is per installatie één lokale beheerder die de volledige beheersrechten heeft voor de installatie. Deze lokale beheerder kan bijkomende mensen aanduiden die leestoegang of volledige toegang hebben tot de certificaten van de betrokken installatie.

Er kunnen mandaten worden toegekend aan andere bedrijven. Zo kan één bedrijf de certificaten dan voor meerdere installaties tegelijk beheren. Dit kan interessant zijn wanneer er meerdere installaties/bedrijven tot een overkoepelende organisatie behoren, of wanneer u wenst dat een derde partij het beheer van uw certificaten mee opvolgt.

Er kan geopteerd worden om de certificaten, van zodra zij u worden toegekend, automatisch te verkopen aan de netbeheerder aan minimumsteun. Dit kan de administratieve last bij de opvolging verminderen.

U krijgt een duidelijker overzicht van de inhoud van uw certificatenportefeuille en de door u uitgevoerde transacties, alsook meer details van de vermeldingen op uw certificaten en garanties van oorsprong.

Wenst u begeleiding in het gebruik van deze nieuwe databank? Neem dan contact op met onze energie-consulenten.

Verplicht meetprogramma voor radionucliden


Als drank- en voedingsbedrijf moet u rekening houden met de wetgeving rond de chemische en biologische kwaliteit van het water dat gebruikt wordt in de productie. Daarnaast moet u bij het gebruik van water ook de radioactiviteit in het oog houden.         

Sinds 1 augustus is het KB omtrent radionucliden in voor menselijke consumptie bestemd water van kracht. In de praktijk betekent dit dat drank- en voedingsbedrijven en drinkwaterproducenten zich administratief moeten registreren en een zelfcontroleprogramma moeten laten goedkeuren voor 28 december 2016. Dit gebeurt via een webplatform, opgesteld door het FANC. Dit zelfcontroleprogramma bepaalt hoeveel analyses uitgevoerd moeten worden. De frequentie hiervan is gebaseerd op uw dagelijks waterverbruik. Er zijn lagere analysefrequenties mogelijk indien er een waterverbruik is van minder dan 100 m³/dag, in overleg met het Agentschap.

Radioactieve stoffen in water bij voedingsbedrijven
Het Koninklijk Besluit wil consumenten beschermen tegen radioactieve stoffen in water. Water dat gebruikt wordt door voedingsbedrijven, zij het als ingrediënt of voor andere doeleinden, kan namelijk radionucliden bevatten en dit houdt een zeker risico in.

Radioactieve elementen (zoals vb. radium, uranium en radon) zijn van nature aanwezig in de aardkorst. Daar komen ze in contact met het grondwater en zo kunnen ze, opgelost in het water, via pompinstallaties aan de oppervlakte komen.

Profex kan u begeleiden bij het opmaken van het zelfcontroleprogramma.

Profex sprak tijdens het Ecca-seminarie ‘Food & Environment = 1’


Tijdens dit seminarie sprak extern milieucoördinator, Silvio Giovannelli, over de economische aspecten van afvalwaterlozing. In de namiddag kwam bestuurder, Kristof Bol, aan het woord over de optimalisatie van het reststromenbeleid. Bekijk hier alvast enkele sfeerbeelden.

Ghelamco ECCA Selinarie ECCA Seminarie Profex Profex ECCA Seminarie Ghelamco seminarie met Profex Profex op het ECCA seminarie

Vlarem-trein 2015 in werking


Door het nieuwe besluit van 26 augustus, sinds begin september in werking, wordt een hele reeks van besluiten en wetten gewijzigd. Enkele voorbeelden zijn het Stooktoestellenbesluit, het besluit rond de Project-m.e.r. en het Vlarema. Maar de grootste impact is wel degelijk weggelegd voor de Vlarem-wetgeving. En zo spreken we van ‘de VLAREM-trein 2015’. We geven u hierbij een aantal belangrijke wijzigingen mee, maar voor het volledige plaatje: contacteer uw Profex-adviseur!

Ten gevolge van nieuwere bevindingen uit de rapporten van Best Beschikbare Technieken, worden alvast volgende sectoren geconfronteerd met wijzigingen:

  • De verwerking van externe bedrijfsafvalwaters en vloeibare/slibachtige bedrijfsafvalstromen
  • De verf-, lak-, drukinkt- en lijmproductie
  • De grafische sector
  • De asfaltcentrales
  • De oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen

Zo werden voor asfaltcentrales nieuwe emissiegrenswaarden opgelegd voor NOx en SO². Voor die bedrijven die voor 1 september 2015 vergund waren, geldt een overgangstermijn tot 1 september 2018 om aan deze verstrengde waarden te kunnen voldoen.

Geen oranje-carroussel meer

Voor houders van gevaarlijke producten, zoals diesel of benzine, zal geen ‘oranje carroussel’ meer mogelijk zijn. Die ontstond tot op heden bij de verplicht uit te voeren Vlarem-keuring van de tanks, waarbij een groen, oranje of rood label werd verkregen naargelang het voldoen aan de nodige vereisten. Bij een oranje label werd maximaal 6 maanden gegeven om opnieuw een deskundige te laten komen voor het uitvoeren van een nieuwe keuring. Daarbij ontstond soms een oranje carroussel waarbij er meermaals achter elkaar een oranje label werd gegeven en zo ondertussen de houder toch in gebruik kon blijven. De wetgeving sloot dit achterpoortje door op te leggen dat pas een nieuw oranje label mag worden toegkend indien de tekortkomingen werden weggewerkt. Anders krijgt de tank een rood label, en mag hij niet meer gevuld worden.

Geluidsnormen bij laden en lossen aan supermarkten

Een volledig nieuw geluidskader, bovenop de algemene geluidsnormen, werd ingevoerd voor de laad- en losverrichtingen bij supermarkten. Dat zorgt ervoor dat supermarkten, ingedeeld onder NACE-code 47.11, met een eigen los- en laadplaats en beschikken over vergunningsplichtige koelinstallaties, aan bijkomende maatregelen moeten voldoen voor het laden en lossen zoals respecteren van grenswaarden en de motor stilleggen. Door het verschuiven van deze transporten naar de dagrand hoopt men bovendien een gunstiger gevolg te creëren voor de mobiliteit overdag. Zo worden in de dagrand beperkingen opgelegd voor wat betreft het aantal leveringen, de wijze waarop geladen en gelost wordt (uitschakelen radio, afzetten koeling) en dienen grenswaarden of richtwaarden te worden gerespecteerd. Bovendien gelden in bepaalde gebieden minimale afstanden tussen de loskade en de dichtstbijzijnde woningen, en kan hier enkel van afgeweken worden mits het uitvoeren van een geluidsstudie met milderende maatregelen.

Beschikt u als bedrijf over airco’s of koelinstallaties?

Dan verandert er tevens voor u ook een aantal zaken.

Zo dienden voorheen airco’s een energetische keuring te ondergaan vanaf meer dan 12 kW nominaal koelvermogen. Omdat er veel kleinere energetisch inefficiënte installaties op die manier in werking bleven, heeft men een aanpassing doorgevoerd. Zo werd de definitie voor het ‘nominaal koelvermogen’ gewijzigd. Daardoor dient u het vermogen van alle individuele installaties van het airconditioningsysteem op te tellen per gebouwniveau om aan het totale nominale koelvermogen te komen. Men maakt daarmee geen onderscheid meer of het gaat om individuele installaties of om een centrale installatie. Op die manier ontspringen kleinere installaties niet langer de dans meer om een keuring te laten uitvoeren van hun rendement en dimensionering in functie van de koelingsbehoefte. Wanneer binnen een gebouw een gecentraliseerd airconditioningsysteem gedeeld wordt door verschillende exploitanten zal het volledige systeem in rekening gebracht worden voor het bepalen van het nominaal koelvermogen. Wanneer er binnen een gebouw meerdere decentrale systemen aanwezig zijn die onder verschillende exploitanten vallen wordt enkel het nominaal koelvermogen bepaald door alle installaties van eenzelfde exploitant in beschouwing genomen.

Nominale koelmiddelinhoud is nog een begrip dat werd aangepast in de nieuwe wetgeving. Daardoor is het nu duidelijk dat een buffervat of reservevat van een koelinstallatie ook moet mee beschouwd worden voor het berekenen van de hoeveelheid koelmiddel aanwezig. Dat dient geweten te zijn voor het bepalen van de frequentie van het uitvoeren van lekcontroles. Bij een lek kan namelijk ook het koelmiddel in het aangekoppelde buffer- of reservevat ontsnappen.

Vlarem werd bovendien aangepast aan de Europese verordening omtrent gefluoreerde broeikasgassen.

Vroeger dienden koelinstallaties met een gefluoreerd broeikasgas als koelmiddel (zoals R404a, R407c, R410a, R507c, R134a,..) pas vanaf 3kg lekcontroles te ondergaan. Met de nieuwe regels omtrent koelinstallaties werd een nieuwe drempel ingevoerd, namelijk het ‘CO2-equivalent’. Dit is het product van hoeveel kg broeikasgas de koelinstallatie bezit, vermenigvuldigd met het aardopwarmingsvermogen van het koelmiddel. Deze laatste bepaalt de schadelijkheid van het koelmiddel (GWP-waarde) voor het klimaat. Daardoor kan het zijn dat koelinstallaties die vroeger niet dienden gecontroleerd te worden op lekken, aangezien minder dan 3kg koelmiddel, dit nu wel dienen te doen omwille van een hoge schadelijkheid van het koelmiddel! Afhankelijk van de uitgerekende waarde voor het CO2-equivalent dient uw koelinstallatie, sowieso vanaf 5 ton CO2 equivalent, een controle op lekken te ondergaan om de 3, 6 of 12 maanden. Als voorbeeld geven we het koelmiddel R404a, dit heeft een hele grote GWP-waarde, nl 3922.  Dat wil zeggen dat een koelinstallatie met een koelmiddelinhoud van meer dan 1,27kg de drempel van 5 ton CO2 equivalent overschrijdt en er dus periodiek lekcontroles dienen te gebeuren. Denk er ook aan dat indien uw koelinstallatie gefluoreerde broeikasgassen als koelmiddel heeft, de hoeveelheid CO2 equivalent tevens in het logboek dient vermeld te staan.

Voor het lozen van koelwater werd nu ook de verplichting tot het hebben van een dergelijke controle-inrichting ingevoerd indien het debiet meer dan 2 m3/uur tot en met 100 m3/uur bedraagt. Bedoeling is om makkelijk een monster te kunnen nemen via een ordelijk en toegankelijke plaats. U heeft hiervoor de tijd tot 1 september 2018.

Gedepollueerde voertuigwrakken en andere wijzigingen

Tot voor kort dienden de niet-gedepollueerde en wel reeds gedepollueerde voertuigwrakken gescheiden te worden opgeslagen. Dit gaf problemen in de praktijk. Via wijziging in de wetgeving kan de gezamenlijke opslag nu wel, indien elk gedepollueerd voertuigwrak wordt gemarkeerd met een duidelijk herkenbaar etiket dat zichtbaar is vanop de begane grond. Dit houdt in dat dit etiket olie-, vuil- en weerbestendig moet zijn. Voor inrichtingen die echter beschikken over een shredderinstallatie dient de opslag wel nog steeds gescheiden te gebeuren.

Voor de opslag van granen en groenvoeders bij mest(co)vergistingsinstallaties werden sectorale voorwaarden ingevoerd in de Vlarem, vooral voor het vermijden van verontreiniging door het lozen van silosappen. Deze voorwaarden zijn conform aan de nieuw ingevoerde maatregelen voor kuilplaten bij veeteeltbedrijven. Deze verplichtingen zijn wel enkel voor nieuwe inrichtingen van toepassing.

Bronbemalingen zijn vergunningsplichtig vanaf 30.000 m3/jaar waardoor heel wat maatregelen ook door de bouwfirma’s dienden genomen te worden, zoals aanleg van peilputten, peilmetingen en dergelijke. Dit had financiële en administratieve gevolgen. Met de nieuwe wetgeving werd dit aangepast en worden de bijhorende maatregelen enkel van kracht voor in klasse 1 ingedeelde inrichtingen. Daardoor worden de bouwfirma’s in de courante bemalingen ontheven van diverse plichten omtrent de controle van het grondwater.

De verbranding in open lucht werd duidelijker omschreven in de wetgeving. Zo werd ondermeer toegevoegd dat verbranding in open lucht van plantaardige afvalstoffen die afkomstig zijn van het onderhoud van landschapselementen, is toegelaten, als de afvoer of de verwerking van het biomassa-afval ter plaatse niet mogelijk is. Afvoer kan bijvoorbeeld niet mogelijk zijn door een te nat veld om er over te kunnen rijden, door lokaal reliëf of andere hindernissen zoals beken of hagen. Er is geen onderscheid tussen het type landgebruik. Het geldt dus zowel voor landbouwgebieden als voor andere. Enkel indien er geen ruimte is om het afval ter plaatse te stockeren, of indien het technisch niet mogelijk is om met een hakselaar ter plaatse te komen, geldt dat verwerking ter plaatse niet mogelijk is. Het verbranden in open lucht van plantaardige afvalstoffen wanneer dat vanuit fytosanitair oogpunt noodzakelijk is, wordt toegelaten ongeacht het type landgebruik en kan dus ingeroepen worden door particulieren, landbouwers en terreinbeheerders.

Nieuwe regels gaan bovendien vanaf 2017 in voege, om de stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken te beheersen en te beperken.

Versoepeling van het vrijstellings- en meldingsbesluit


Op 15 juli keurde de Vlaamse Regering een aantal wijzigingen aan het Vrijstellings- en Meldingsbesluit goed. Hiermee wil de overheid bepaalde knelpunten wegwerken, de regels vereenvoudigen en de administratieve rompslomp verminderen. Samen met de aankomende omgevingsvergunning zorgen deze wijzigingen voor een gunstiger klimaat voor de ondernemer.

Hoe moet het vandaag?

In de industriegebieden worden de regels bij het plaatsen van constructies versoepeld.  Onder een aantal voorwaarden (i.v.m. functie, hoogte, oppervlakte, straal, afstand) is een stedenbouwkundige vergunning niet langer nodig. Vooral de bedrijven in zeehavengebieden halen voordeel uit de versoepelingen:

  1. Het betreft geen gebouwen of verhardingen
  2. De constructies staan in functie van de bestaande industrie of bedrijvigheid
  3. De constructies worden opgericht binnen een straal van:
    • Vijftig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw of hoofdzakelijk vergund of vergund geachte verharding als ze liggen binnen een afgebakend zeehavengebied.
    • Dertig meter van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw in overige gebieden.
  4. De constructies zijn niet hoger dan:
    • Twintig meter als ze liggen binnen een afgebakend zeehavengebied
    • Tien meter in overige gebieden
  5. De van vergunning vrijgestelde constructies zijn niet groter dan 200 vierkante meter
  6. De constructies liggen op minstens:
    • Dertig meter van een woongebied in de ruime zin en van een ruimtelijk kwetsbaar gebied, niet zijnde parkgebied.
    • Vijf meter van alle perceelsgrenzen
  7. De bereikbaarheid voor hulpdienstvoertuigen met inbegrip van brandweerwagens mag niet verminderd worden

Voorbeelden van dergelijke constructies zijn het bouwen van een relatief eenvoudige waterzuivering bij een bestaand bedrijf of het aanbrengen van een aantal rookkanalen op het dak van een industrieel gebouw.

Naar aanleiding van het wijzigen van het vrijstellingsbesluit is ook het besluit omtrent de meldingsplicht herschreven. Ook hier zijn de belangrijkste aanpassingen gericht op de zeehavengebieden. Samengevat kunnen in deze gebieden voortaan de volgende zaken gemeld worden:

  1. Constructies tot 300m²
  2. Verhardingen tot 500m²
  3. Gebouwen tot 500m²

Al deze wijzigingen treden in werking op 29 september 2016.

Heeft u vragen over de versoepeling van het vrijstellings- en meldingsbesluit? Contacteer uw Profex-consultant. Wij helpen u graag verder.

Fijn stof bij bouwwerken: wat moet u weten?


Bij bouwwerken komt er nu eenmaal heel wat fijn stof vrij. En dat is merkbaar tijdens lokale metingen. De voorbije decennia zijn in Vlaanderen al heel wat succesvolle maatregelen genomen om de uitstoot van fijn stof te verminderen. Metingen toonden een duidelijke verbetering van de luchtkwaliteit. Maar bij bouw-, sloop- en infrastructuurwerken worden echter significante verhogingen opgemeten van de uitstoot van fijn stof.

De wetgeving is van toepassing op bouwwerken uitgevoerd in open lucht door een aannemer en wanneer de werken langer dan 1 dag duren. Werken die door een particulier worden uitgevoerd, vallen niet onder deze wetgeving.

Het Departement LNE heeft enkele concrete maatregelen neergeschreven om de uitstoot van fijn stof te verminderen:

  1. Afscherming met doeken en zeilen
  2. Beneveling van de locatie waar de werken worden uitgevoerd
  3. Bevochtiging ter hoogte van de apparatuur
  4. Rechtstreekse stofafzuiging op breekhamers, polijstmachines, slijpschijven, boormachines, freesmachines en schuurmachines.

Aanvullend moet er verneveling of bevochtiging zijn bij sloopwerken onder droge of winderige weersomstandigheden waarbij visueel waarneembare stofverspreiding optreedt. De installaties moeten onderhouden en gecontroleerd worden, en stoffilters moeten tijdig vervangen worden.

Als bedrijf hebt u er uiteraard alle belang bij om stofreducerende maatregelen te treffen. Zo verkleint u het risico op klachten van de omwonenden. Daarnaast vermijdt u het risico op eventuele boetes. Bovendien zorgt u zo dat het materiaal langer mee gaat en zorgen deze maatregelen ook voor een gezondere werkomgeving.

7 slimme tips voor een duurzame organisatie


In kader van een klimaatneutraal Vlaams-Brabant bezocht de feitelijke vereniging ‘Zorg voor duurzame zorg’, met de financiële steun van de provincie, verschillende woonzorgcentra.

Daarbij werd het energie-, materiaal- en middelengebruik onder de loep genomen. Profex heeft hierbinnen het energieluik voor zijn rekening genomen en geeft u graag de belangrijkste adviezen, tips en tricks rond energie voor woonzorgcentra, op basis van de resultaten.

Dankzij de energiedoorlichting werden woonzorgcentra zich bewust van de aard en de grootte van hun energieverbruik.  Nadien kregen de instellingen de belangrijkste maatregelen voorgeschoteld waardoor er energie én geld bespaard kan worden. Tegelijk gaf deze doorlichting de deelnemende woonzorgcentra een beeld over hun energie-efficiëntie positie tegenover elkaar.

7 slimme energietips

  • Vervang oude aardgasketels door nieuwe condenserende gasketels
  • Vernieuw uw energiecontracten en doe dit met kennis van zaken
  • Plaats zonnepanelen
  • Installeer een WKK
  • Vervang verlichting systematisch door energiezuinige lampen
  • Win warmte terug uit de ventilatie
  • Stel een energiebeleid op

Wilt u in uw woonzorgcentrum ook zuiniger met uw energie omgaan? Contacteer Profex. We helpen u graag verder!

Bedrijven in de kijker: Eos Acoustics en Studio Klein Brabant


In het septembernummer van het tijdschrift Architect, vakinformatie over woningbouw, staan twee ons welbekend en genegen experten in de kijker: Ir. Christophe Debonne, Eos Acoustics bvba, en architect Ignace Pollentier, Studio Klein Brabant bvba.

Beiden hebben inmiddels een jarenlange expertise opgebouwd in de zorgsector, elk in hun vakgebied: de ene als geluidsdeskundige, de andere als architect.

In het tijdschrift licht Ignace Pollentier de meerwaarde van het gebruik van kunstharsvloeren in de zorgsector toe. Christophe Debonne komt in beeld met zijn jarenlange ervaring en expertise met bouwakoestiek, afgestemd op de kwaliteitsnormen in de zorgsector, tijdens Buildup 2016.

Je kan het tijdschrift online raadplegen na registratie (gratis) op de website van Architect.

Beide zorgexperten laten zich sinds jaar en dag ondersteunen en adviseren door ervaren Profex-specialisten om hun projecten vorm te geven. Want dankzij de natuurlijke drive en het aangeboren pragmatisme van Profex is het mogelijk om verschillende partijen in een project te verenigen en zo duurzame professionele samenwerkingsverbanden te smeden.

Een mooi voorbeeld van onze samenwerking is de realisatie van het WZC te Bornem.

Tijdschrift Architect

KMO-portefeuille: subsidies voor onze opleidingen


We behaalden onlangs de erkenning als dienstverlener voor de kmo-portefeuille voor de pijler “opleiding”. Hierdoor kan u voor onze opleidingen mogelijks subsidies krijgen. 

KMO portefeuille voor Profex advies

 

 

 

Profex maakt deel uit van de groep United Experts. Nu we met United Experts de erkenning behaalden, kan u tot 2021 voor onze opleidingen een subsidie van 30% of 40% aanvragen met een maximum van 15.000 of 10.000 € per jaar. Hierbij hangt het steunpercentage en het maximum bedrag af van de grootte van uw bedrijf. Kijk zeker eens na of ook uw bedrijf voldoet aan de voorwaarden voor die kmo-portefeuille of contacteer ons

Heeft u interesse in een “opleiding op maat” binnen één van onze kennisdomeinen? Laat het ons zeker weten, en dan kijken we wat er mogelijk is!

Het registratienummer van United Experts is: DV.O218324.

Heeft uw bouwproject een archeologienota nodig?


Op 1 juni 2016 trad het archeologieluik van het Onroerenderfgoeddecreet volledig in werking. Dit betekent dat de aanvrager van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning verplicht is om in bepaalde gevallen een archeologienota bij de vergunningsaanvraag te voegen. De archeologienota is het resultaat van een archeologisch vooronderzoek. Het moet worden opgemaakt door een erkend archeoloog en bekrachtigd worden door het agentschap Onroerend Erfgoed.

Wanneer is een archeologienota nodig?

De archeologienota is het resultaat van een archeologisch vooronderzoek, waarvoor je een erkende archeoloog moet aanstellen. De doelstelling van het archeologisch vooronderzoek is om te bepalen of er op het terrein al dan niet archeologisch erfgoed aanwezig is en om maatregelen voor te stellen om met het aanwezige erfgoed om te gaan.

Op de website van Onroerend Erfgoed vindt u een handige beslissingsboom om te bepalen of er voor uw project een archeologienota nodig is. Bent u verplicht om de archeologienota op te maken, dan moet u die samen met uw vergunningsaanvraag indienen. Het is dan ook raadzaam om bij de planning van een bouwproject rekening te houden met de tijd die nodig is voor de opmaak en de goedkeuring van een archeologienota.

Het al dan niet verplicht toevoegen van de archeologienota hangt af van de totale oppervlakte van de percelen, de oppervlakte van de geplande bodemingrepen, de ruimtelijke bestemming van het terrein en de ligging binnen of buiten een archeologische zone uit de vastgestelde inventaris of binnen een beschermde archeologische site.

Meer informatie over archeologisch onderzoek bij vergunningsplichtige werken, vindt u op de website van het agentschap Onroerend Erfgoed.
 

Goedkeuring samenwerkingsakkoord Seveso III


Op 10 juni 2016 was Brussel het laatste gewest dat zijn instemming met het samenwerkingsakkoord SWA3 publiceerde in het Belgisch staatsblad. Hierdoor is de Seveso III-richtlijn (2012/18/EU) nu ook in België van kracht. Naast de implementatie van de CLP indeling zijn er nog enkele wijzigingen ten opzichte van het vorige samenwerkingsakkoord SWA2.

De drempelwaarden van enkele categorieën worden verstrengd, maar ook betreffende externe informatieverstrekking wordt er meer verwacht van inrichtingen die met gevaarlijke stoffen werken.

Ook zijn er in SWA3 voor een aantal verplichtingen uitvoeringstermijnen vastgelegd. Voorbeelden hiervan zijn de kennisgeving, het SWA-veiligheidsrapport en de noodplannen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van verschillende classificaties van inrichtingen. Indien de Seveso-status niet wijzigt, 'bestaande inrichtingen', ligt de termijn voor enkele verplichtingen op 3 maanden na inwerkingtreding van SWA3. 'Andere inrichtingen', waarvan de Seveso-status wijzigt, krijgen 3 maanden na wijziging van deze status om aan de verplichtingen te voldoen.

Deadline 10 september

Vooral bestaande inrichtingen dienen aandacht te besteden aan de termijn van 3 maanden aangezien deze afloopt op 10 september 2016. Aangezien ook de drempelwaarden van enkele categorieën veranderd zijn, kan het natuurlijk interessant zijn om de Seveso-toetsing nogmaals uit te laten voeren voor elke inrichting die met gevaarlijke stoffen werkt.

De consultants van Profex kunnen u begeleiden bij een Seveso-toetsing. Vul het contactformulier in en wij helpen u zo snel mogelijk verder.

Ventilatieverslaggeving verplicht bij het realiseren van uw woning


Naast de EPB-verslaggever bent u verplicht om voor bouwaanvragen vanaf 1 januari 2016 ook een ventilatieverslaggever aan te stellen.

De ventilatieverslaggever maakt een principeontwerp van de ventilatie-installatie. Dit ventilatievoorontwerp is een plan met aanduiding van alle ventilatiecomponenten. Het geeft u een overzicht van de ventilatie-installatie die door de architect of technici in uw woning wordt voorzien en hiermee wordt nagegaan hoe de installatie past binnen het ontworpen gebouw.

Bij de oplevering van de ventilatie-installatie wordt er een ventilatie prestatie verslag opgesteld door een erkende ventilatieverslaggever. De ventilatieverslaggever kan eveneens instaan voor het nameten van de installatie en het opmaken van het meetverslag. Deze rapporten dienen aan de EPB-verslaggever bezorgd te worden die deze nodig heeft om de EPB-aangifte op te maken.

Wil u meer weten over de ventilatieverslaggever? Neem dan contact op met uw Profex-consultant.

Is uw koelinstallatie reglementair?


Vanaf 1 januari 2017 zullen ook kleine koelinstallaties, met minder dan 3kg HFK’s koelmiddelinhoud, een logboek moeten bijhouden. In dit logboek staat cruciale info voor de koeltechnici en de toezichthouders. De vrijstelling voor het bijhouden van een dergelijk logboek loopt dus af aan het einde van dit jaar. Het logboek moet in de nabijheid van de installatie worden bewaard en bij elke interventie aangevuld worden door de technicus.

Op elke koelinstallatie moet een etiket hangen waarop het soort en de hoeveelheid HFK-koelmiddel vermeld staat. Vanaf 2017 bent u bovendien verplicht om op dit etiket ook het aantal ton CO2 equivalenten erbij te vermelden.

Vergeet niet om vanaf 10% relatief lekverlies op de koelinstallatie na twee opeenvolgende jaren dit te melden aan de Milieu-inspectie. U moet dan, tenzij Milieu-inspectie u een afwijking toekent, de installatie buiten gebruik stellen binnen de 12 maanden.

Heeft u 10% lekverlies? Contacteer dan uw consultant bij Profex om de lekverliezen te berekenen. Uw consultant zal u aangepast advies geven voor uw koelinstallatie.

Goed nieuws: Profex naar fase twee in de architectuurwestrijd Bovendonck


Profex naar fase twee in de architectuurwestrijd BovendonckNa een gunstige kwaliteitsbeoordeling in fase één, werd Profex, in samenwerking met Studio Klein Brabant en Boxar Architecten, geselecteerd voor de volgende fase in de architectuurwedstrijd Bovendonck.

Dit betekent dat we een schetsontwerp mogen uitwerken voor een sociaal woningbouwproject waarbij we een ontwerp maken voor een 8-tal woongelegenheden in de vorm van een appartement.

Er wordt geprobeerd om zoveel mogelijk gezinswoningen te creëren. Het ontwerp van het woonproject zal als een woonplek met eigen uitgesproken woonkarakter geïntegreerd worden in de woonstraat.

Er wordt rekening gehouden met een integratie van terrassen mits respectering van de wet op lichten en zichten. Het ontwerp zal voldoen aan de ABC van de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen. En het moet zich daarbij enerzijds inpassen in de stedenbouwkundige visies en anderzijds een voorstel leveren voor een toekomstig hedendaags huisvestingsproject dat een meerwaarde biedt aan de omgeving en de bewoners. Tenslotte zal het rekening houden met de leidraad die voor ontwerpers is opgesteld door Volkswelzijn.

Nieuw subsidiesysteem voor diensten voor ouderen


Minister van Welzijn Vandeurzen kiest voor een nieuw subsidiesysteem voor voorzieningen zoals ambulante diensten voor ouderen.
De zorgverzekering zal vanaf 2017 Vlaamse Sociale Bescherming heten en geldt voor alle zorgbehoevenden, ook -65 jarigen, personen met een beperking en anderen. Alle zorgbehoevenden zullen volgens minister Vandeurzen een maandpremie krijgen van 300 euro per maand (in 2016 nog niet terug te vinden in de budgetten). De minister noemt dit een persoonsvolgende financiering. Dit betekent dat de zorgbehoevende deze 300 euro vrij kan gebruiken om zorg op zijn maat in te kopen.

In de toekomst zullen dus kleinschalige zorgprojecten op maat van de zorgbehoevende aan belang winnen.

Hebt u zelf investeringsplannen? Al eens aan een kleinschalige zorginvestering gedacht?

Profex loodst u doorheen het volledige bouwproces!
Wij bieden u ondersteuning met betrekking tot:

  • financieringsvormen of investeringsbeslissingen door middel van een op maat afgestemd business- en financieel plan
  • het architecturaal ontwerp
  • het bouwproces al of niet in samenwerking met uw eigen architect. We kunnen instaan voor de engineering (stabiliteit en technieken), EPB- en ventilatieverslaggeving, veiligheidscoördinatie,...
  • projectcoördinatie

Neem gerust vrijblijvend contact op en onze consulenten helpen u graag verder.

Van milieuvergunning naar omgevingsvergunning


Hebt u een milieuvergunning waarvan de basisvergunning werd aangevraagd op of na 10 september 2002 en die verleend werd voor 20 jaar? Dan kunt u deze omzetten naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur. Op voorwaarde dat:

  1. U tussen de achtenveertig en zesendertig maanden voor het einde van de vergunning een meldingsformulier per beveiligde post indient bij de bevoegde overheid.
  2. Het betrokken publiek noch de leidend ambtenaar van een adviesinstantie een bezwaar indient tijdens het openbaar onderzoek.
  3. Stedenbouwkundige handelingen op het tijdstip van de mededeling hoofdzakelijk vergund zijn.
  4. De vraag tot omzetting geen milieueffectrapport of passende beoordeling vraagt.

Het aanvragen van deze omzetting kan met behulp van het formulier in bijlage 19 bij het omgevingsvergunningsbesluit. De overheid beslist binnen 30 dagen na indiening of de aanvraag ontvankelijk en volledig is (juiste bevoegde overheid, aanvraag tussen 48 en 36 maanden ingediend, nodige gegevens aanwezig).

Project-milieueffectrapport screeningsnota

Als een project-MER-screeningsnota is toegevoegd, onderzoekt de bevoegde overheid die nota en beslist ze binnen de 90 dagen of er een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld of niet.

Indien een MER noodzakelijk is, veroorzaakt dit van rechtswege de stopzetting van de omzettingsprocedure. De aanvrager kan wel nog een gemotiveerd verzoek tot ontheffing van de rapportageverplichting indienen bij de bevoegde afdeling. De beslissing van deze afdeling is bindend voor de bevoegde overheid.

Openbaar onderzoek

De aanvraag wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek, georganiseerd door de gemeente of de gemeentelijke omgevingsambtenaar. Het betrokken publiek kan bezwaar indienen of eventueel een verzoek tot uitvoering van een passende beoordeling. In dat geval beslist Agentschap Natuur en Bos of dit effectief nodig is of niet. De verschillende betrokken adviesinstanties worden geraadpleegd.

Indien de aanvraag tot omzetting niet op tijd werd uitgevoerd of de site niet hoofdzakelijk vergund is, wordt de exploitant daarvan op de hoogte gebracht. In dat geval wordt de procedure tot omzetting stopgezet en vervalt de milieuvergunning gewoon de dag na het verstrijken van de oorspronkelijke vergunningstermijn.

Indien tijdens het openbaar onderzoek een (gegrond) bezwaar wordt ingediend of in geval een passende beoordeling of MER vereist is, wordt de vraag tot omzetting van de milieuvergunning - van bepaalde duur in een vergunning van onbepaalde duur - behandeld overeenkomstig de gewone vergunningsprocedure.

Geslaagde omzetting, of niet.

Indien aan alle voorwaarden is voldaan en de aanvraag wordt dus positief beoordeeld, dan neemt de bevoegde overheid akte van de omzetting. De akte geldt als bewijs dat de milieuvergunning voortaan van onbepaalde duur is. Tegen deze akte kan geen administratief beroep worden ingediend.

Wij helpen u graag verder

Wil u ontdekken of u klaar bent voor de omgevingsvergunning? Contacteer dan uw Profex adviseur of vul ons contactformulier in en wij helpen u verder.

Betaalde u een te hoge saneringsvergoeding?


De Vlaamse drinkwaterbedrijven staan naast de drinkwatervoorziening ook in voor de afvoer en zuivering van het geloosde afvalwater in Vlaanderen. Er wordt hiervoor een gemeentelijke saneringsvergoeding aangerekend, die de drinkwaterbedrijven in opdracht van de gemeente of rioleringscommunale doorrekenen aan de verbruiker.

Beschikt u over een eigen waterwinning (grondwater, hemelwater, ander water) of gebruikt u leidingwater, maar loost u maar een gedeelte van het opgenomen volume water of blijft dit opgenomen water achter in uw producten? Of misschien beschikt u over een eigen waterzuiveringsinstallatie? Dan is het mogelijk dat u aan de drinkwatermaatschappij een te hoge saneringsvergoeding betaald heeft. Contacteer Profex om uw facturen van de watermaatschappij te laten controleren en spaar mogelijk heel wat euro’s uit!

VLAREBO gewijzigd sinds 1 februari 2016


De aanpassingen zijn in belangrijke mate gekoppeld aan de wijziging van het Bodemdecreet dat op 1 januari 2015 in werking trad.

Wat zijn de belangrijkste VLAREBO-aanpassingen?

  • Artikel 21 verduidelijkt welke inrichtingen in het kader van het Bodemdecreet niet beschouwd worden als risico-inrichtingen. Zo wordt een inrichting, waarvan de sluiting dateert van vóór 11 februari 1946, niet langer als risico-inrichting beschouwd.
  • Ook artikel 22 over de gegevens die opgenomen worden in de gemeentelijke inventaris, is gewijzigd. De gemeentelijke inventaris neemt  risicogronden op, maar ook de gronden waarop uitsluitend een activiteit wordt uitgeoefend, ingedeeld onder categorie 'I' (weergegeven in bijlage 1 van het VLAREBO). Zo moet een gasfabriek, waarvan de inrichting is gestopt voor 11 februari 1946, niet als een risico-inrichting beschouwd worden. De gemeente zal deze grond wel opnemen in de gemeentelijke inventaris, omdat de activiteit onder de categorie 'I' valt. De OVAM kan vervolgens op basis van een prioriteitsbepaling en binnen de beschikbare middelen via een programmatorische aanpak de nodige bodemonderzoeken en de eventuele noodzakelijke maatregelen uitvoeren op deze gronden.
  • Artikel 64 geeft aan in welke gevallen een nieuw oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd moet worden, onder meer bij overdracht van een risicogrond.
  • De artikelen over de beperkte aanvulling van het oriënterend bodemonderzoek en deze van de bundeling en aanvulling van beschikbare gegevens zijn geschrapt. Vanaf 1 februari 2016 is het niet langer mogelijk om bij een kadastrale wijziging een beperkte aanvulling uit te voeren. Een nieuw oriënterend bodemonderzoek moet dit opnemen.
  • De volledige afdeling over risicobeheer is geschrapt. Het beheersen van de risico’s van een bodemverontreiniging kan nu gebeuren met een (gefaseerd) bodemsaneringsproject. Ook  de meldingsformulieren van overdracht en onteigening zijn geschrapt.

U vindt de gewijzigde VLAREBO op navigator.emis.vito.be

Voor meer informatie kan u terecht bij Stijn Santermans (Oost) en Peter Hermans (West).

 

Bron: OVAM

Vitotrack.be verscherpt controle op mobiele puinbrekers


Het was vroeger voor lokale toezichthouders en de Afdeling Milieu-Inspectie van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE) een hele klus om uit te zoeken of een puinbreker puin op een correcte wijze tot grondstof verwerkte. Bovendien duurt het puinbreken op de bouw- en sloopwerven soms maar enkele dagen, wat de opvolging er niet eenvoudiger op maakt. Om dit proces te verbeteren, zijn puinbrekers voortaan verplicht om zich aan te sluiten op het nieuw webgebaseerd informatiesysteem Vitotrack.

De toezichthouder controleert onder meer:

  • Verleende de gemeente of de provincie een vergunning om te breken?
  • Certificeert Copro of Certipro de verwerking van het puin tot gerecycleerde granulaten zoals bepaald in Vlarema en het eenheidsreglement?
  • Volgt Copro of Certipro de afvoer van gerecycleerde granulaten op wanneer de bouwfirma of sloper (een deel van) de granulaten niet op de bouw- en sloopwerf kan toepassen?

Om de controle op mobiele puinbrekers te verscherpen, kan de toezichthouder voortaan terecht op de website www.vitotrack.be/certitrack/login. Op dit webgebaseerd informatiesysteem moet elke puinbreker zich wettelijk verplicht aansluiten, zodat de toezichthouder kan nagaan of de bouwfirma of sloper het puin correct verwerkt tot gecertificeerde gerecycleerde granulaten.

De navigatie op www.vitotrack.be/certitrack/login is eenvoudig. Toezichthouders hoeven enkel een toegangscode aan te vragen met een mail naar vitotrack@vito.be. Zij ontvangen dan een gebruikersnaam en een paswoord die hen toegang geven tot het systeem. Voor het grondgebied onder zijn bevoegdheid kan de toezichthouder op een kaart checken of het breken van het puin volgens de regels verloopt. Bij twijfel of verdere vragen kan hij de certificatie-instelling Copro of Certipro contacteren.

Voor meer informatie kan u terecht bij Stijn Keldermans (Oost) en Stephanie Wulteputte (West).

Bron: OVAM

Wat betekent de Turteltaks voor jouw bedrijf?


Op 1 maart 2016 is de veelbesproken 'Turteltaks' in voege gegaan, met als doel de historisch opgebouwde schuld van de groenestroomcertificaten weg te werken. Dit is een vast jaarlijks bedrag op de elektriciteitsfactuur dat per afnamepunt wordt toegekend en waarbij het bedrag varieert naargelang het jaarverbruik. Onderstaande grafieken geven een overzicht van de jaarlijkse bijdrage. Zo zal een typisch kantoorgebouw (categorie 20 - 50 MWh/jaar) 770 euro/jaar moeten betalen en een groot industrieel bedrijf (categorie 1000 – 5000 MWh/jaar) 6500 euro/jaar. Afhankelijk van het type verbruiker zal de elektriciteitsfactuur 2% (grootverbruiker) tot 17% (particulier) toenemen. Echter is de prijs op de elektriciteitsmarkt sinds december 2015 zeer sterk gezakt waardoor deze extra kost op de elektriciteitsfactuur (gedeeltelijk) gecompenseerd kan worden door de juiste stappen te nemen rond het bekomen van een nieuw elektriciteitscontract. Daarnaast kan je door het uitvoeren van energiebesparingsmaatregelen in een lagere categorie vallen waardoor je een lagere heffing dient te betalen.

Voor meer informatie kan je steeds terecht bij Bart Vanthillo op 0494 72 49 59 of via bav@profex.be en Kristof Van den Bergh op 0485 03 24 71 of via kvdb@profex.be.

Wat betekent de Turteltaks voor jouw bedrijf?

Wat betekent de Turteltaks voor jouw bedrijf?

Nieuwe normen voor gevaarlijke stoffen


Eind 2013 werd al een Europese richtlijn gepubliceerd met een bijgewerkte lijst van prioritaire stoffen en bijbehorende milieukwaliteitsnormen voor het oppervlaktewater (Richtlijn  2013/39/EU).  Daarbij werden ook een aantal bestaande Europese normen aangescherpt.  De richtlijn is nu omgezet in Vlaamse wetgeving. Ook op Vlaams niveau zijn een aantal nieuwe stoffen toegevoegd en normen aangepast.

Alle nieuwe en herziene stoffen werden met hun normen en bijhorend indelingscriterium toegevoegd aan de Vlaamse lijst van milieukwaliteitsnormen (bijlage 2.3.1 van VLAREM II).  Als een bedrijf voortaan één of meerdere van deze stoffen loost boven het indelingscriterium, dan wordt dat beschouwd als een lozing van 'bedrijfsafvalwater met gevaarlijke stoffen'.  Bedrijven hebben 6 maanden de tijd (tot 11/06/2016) om indien nodig hun milieuvergunning laten aanpassen.

Overzicht nieuwe en herziene stoffen

Vanaf 22/12/2015 gelden herziene milieukwaliteitsnormen voor:

  • antraceen
  • gebromeerde difenylethers
  • fluoranteen
  • lood- en loodverbindingen
  • naftaleen
  • nikkel en nikkelverbindingen
  • PAK’s

Op Vlaams initiatief werden ook de normen voor de vluchtige verbindingen (1,2-dibroomethaan; 2,4-dichloorfenol; 1,1,1-trichloorethaan en 1,1,2-trichloorethaan) herzien en aangepast aan de normen van onze buurlanden en gewesten.   

Vanaf 22/12/2018 gelden er normen voor de nieuwe prioritaire stoffen:

  • dicofol
  • PFOS
  • quinoxyfen
  • dioxinen en dioxineachtige verbindingen
  • aclonifen
  • bifenox
  • cybutryne
  • cypermethrine
  • dichloorvos
  • hexabroomcyclododecaan
  • heptachloor
  • heptachloorepoxide
  • terbutryne

Vlaanderen leidde ook nog zelf een norm af voor diflufenican en flufenacet. Dat zijn twee pesticiden die veel voorkomen in onze oppervlaktewateren.   

Voor meer informatie kan u terecht bij Karolien Borghgraef (Oost) en Annemie Martens (West).

 

Bron: www.vmm.be

Omgevingsvergunning in werking vanaf 23 februari 2017


Het besluit was al goedgekeurd op 27 november 2015, dus het was wachten op de publicatie ervan om te weten wanneer de nieuwe omgevingsvergunning in werking zou treden. Dit is in principe één jaar na de publicatie in het Staatsblad, dus op 23 februari 2017.

Wat houdt de omgevingsvergunning precies in?

De nieuwe omgevingsvergunning verenigt de stedenbouwkundige en de milieuvergunning,wat moet leiden tot een vlottere procedure en administratieve vereenvoudiging. In tegenstelling tot de huidige milieuvergunning zal de omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd gelden. Zo kan de  vergunninghouder bedrijfsinvesteringen doen, zonder rekening te moeten houden met de vervaldatum van zijn vergunning. Toch blijft de inspraak van de bevolking en de bescherming van mens en milieu gewaarborgd. De overheid zal de milieuvoorwaarden van bepaalde bedrijven evalueren en burgers, adviesinstanties en vergunningverlenende overheden krijgen mogelijkheden om de milieuvoorwaarden te laten aanpassen. Nieuw is de verplichting voor de overheden om voor bepaalde ingewikkelde projecten op vraag van de initiatiefnemer een projectvergadering te organiseren. De mogelijkheid om de aanvraag tijdens de procedure te wijzigen, moet vermijden dat elk probleem tot het heropstarten van de procedure leidt. De omgevingsvergunning staat dus ook voor oplossingsgerichte vernieuwingen. 

Wat kan u nu al doen?

De komst van de omgevingsvergunning zorgt dus voor een aantal belangrijke wijzigingen, waarop u nu al kan anticiperen! Terwijl er vandaag aparte bouw- en milieu-inspectiediensten zijn die elk instaan voor hun domein, zal milieu-inspectie vanaf 23 februari 2017 bijvoorbeeld ook bouwovertredingen kunnen vaststellen (en omgekeerd). Voor wie reeds over een bouw- en milieuvergunning beschikt, kan het dus nuttig zijn om deze nu al naast elkaar te leggen en ze te laten regulariseren indien nodig. Hulp nodig? Onze consultants kunnen u zeker helpen!

Verplicht ventilatievoorontwerp en ventilatieprestatieverslag


Dit jaar zet het Vlaams Gewest in op de verbetering van de kwaliteit van ventilatiesystemen in residentiële gebouwen. De EPB-regelgeving, die naast energiezuinige ook gezonde en comfortabele woningen beoogt, wordt daarom uitgebreid met 2 nieuwe ventilatieverplichtingen voor de (ver)bouwer.

Minimale ventilatievoorzieningen waren al verplicht voor een gezond binnenklimaat. Maar om een goed werkend ventilatiesysteem te creëren, is er meer nodig. Een goed werkend ventilatiesysteem is immers het resultaat van een goed ontwerp, een juiste plaatsing en een degelijk onderhoud. Daarom moet de aangifteplichtige, voor alle nieuwe en ingrijpend energetisch te renoveren wooneenheden met stedenbouwkundige vergunningsaanvraag of melding, de volgende zaken laten opstellen door een deskundige:

  • Vóór de start van de werkzaamheden: een ventilatievoorontwerp
  • Na de uitvoering van de werkzaamheden: een prestatieverslag van het geplaatste ventilatiesysteem

De aangifteplichtige moet een ventilatieverslaggever aanstellen die ervoor zorgt dat een ventilatievoorontwerp en een ventilatieprestatieverslag worden opgemaakt. De gegevens uit deze verslagen moeten correct bij de EPB-aangifte gevoegd worden.

Meer info

Dient u dit jaar een bouwaanvraag in? Neem contact op met Profex voor meer informatie rond de EPB-regelgeving!

Nieuw: digitale aangifte voor afval- en grondwaterheffing


In 2016 is zal de aangifte voor de heffing op de waterverontreiniging en/of op de winning van grondwater volledig digitaal moeten worden ingediend. DIt kan vanaf 18 januari via het heffingenloket van de Vlaamse Milieumaatschappij. De aangifte dient vóór 15 maart te worden gedaan.

VMM-aangifte

Heb je een waterverbruik van meer dan 500 m³ per jaar of heb je een eigen waterwinning, dan zal je in de loop van de komende weken een brief ontvangen van de Vlaamse Milieumaatschappij met je unieke toegangscode en een korte toelichting voor het online invullen van de aangifte. Ter voorbereiding van de VMM-aangifte raden wij je aan de tellerstanden van debietmeters van grondwaterwinning, hemelwaterverbruik, afvalwaterlozingen e.d. alvast te noteren. Daarnaast heb je ook de facturen van de drinkwatermaatschappij en eventuele resultaten van meetcampagnes in 2015 nodig.

Profex helpt je graag de wateraangifte te optimaliseren zodat je een minimale heffing betaalt.

Heeb je vragen of opmerkingen? Aarzel dan niet ons te contacteren op het nummer 0800 59 002 of via info@profex.be

Wanneer heb je een veiligheidscoördinator nodig?


Als je een woning bouwt of renoveert, heb je de keuze om met één aannemer te werken of om meerdere aannemers in te schakelen voor verschillende posten: metselwerk, dakwerk, sanitair, elektriciteit... Kies je voor de tweede optie? Dan ben je verplicht een veiligheidscoördinator aan te stellen om het risico op arbeidsongevallen op de bouwwerf te verminderen. 

Waarom veiligheidscoördinatie?

De verplichte aanstelling van een veiligheidscoördinator op bouwwerven is in 2001 ingevoerd om de ongevallen in de bouwsector te verminderen. De meeste ongevallen deden zich immers voor wanneer er meerdere aannemers gelijktijdig aan het werk waren op dezelfde werf. Veiligheidscoördinatie moet ervoor zorgen dat de veiligheid van alle partijen op de werf gegarandeerd wordt. 

Wanneer veiligheidscoördinatie?

Of je nu als bedrijf de opdracht geeft of als particulier, de regels blijven dezelfde: wanneer ten minste twee aannemers werken uitvoeren, ook al komen ze nooit gelijktijdig op de bouwwerf, moet een veiligheidscoördinator aangesteld worden. Als het geheel van de werken door slechts één aannemer wordt uitgevoerd, is er geen verplichting. Let op: leveranciers en nutsmaatschappijen worden ook als aannemer beschouwd wanneer ze deelnemen aan het bouwproces! 

Wie is de veiligheidscoördinator?

Bij kleine bouwwerken kan de architect of de aannemer de veiligheidscoördinatie op zich nemen, maar de opdrachtgever kan ook een aparte veiligheidscoördinator aanstellen. Er zijn een aantal vereisten wat betreft de beroepservaring en opleiding, dus het is aan te raden om op zoek te gaan naar iemand die weet waar hij of zij mee bezig is. 

Wat doet de veiligheidscoördinator?

De veiligheidscoördinator is aanwezig vanaf het moment dat de werken starten en bezoekt de werf totdat de werken afgerond zijn. Het coördinatieproces bestaat uit twee fasen:

  • Coördinatie ontwerp: controle van het ontwerp op mogelijke onveilige elementen. Op basis hiervan stelt de veiligheidscoördinator een veiligheids- en gezondheidsplan op waarin hij preventiemaatregelen voorschrijft. Zo moet voor de plaatsing van het dak bijvoorbeeld een valbeveiliging geplaatst worden. Er wordt ook een postinterventiedossier aangemaakt.
  • Coördinatie uitvoering: controle tijdens de bouwwerken op de voorgeschreven preventiemaatregelen. Hiervoor bezoekt de veiligheidscoördinator regelmatig de bouwwerf.

Postinterventiedossier

De veiligheidscoördinator stelt een dossier samen met alle documenten die betrekking hebben tot de architectuur, de technische installaties en andere essentiële elementen van de woning waarmee rekening gehouden moet worden bij latere renovatie- of uitbreidingswerken. Na de werken overhandigt de veiligheidscoördinator het postinterventiedossier aan de opdrachtgever, die dit dient te bewaren en voor te leggen aan de veiligheidscoördinator bij eventuele werken of aan de notaris bij de verkoop van de woning. Het bestaan van het postinterventiedossier wordt mee in de notariële akte opgenomen. Was je niet verplicht een veiligheidscoördinator aan te stellen? Dan sta je zelf in voor de opmaak van dit dossier!

Sancties

Als je geen veiligheidscoördinator aanstelt terwijl je hiertoe wel verplicht was, kan dit leiden tot zware straffen. Wanneer er een ongeval gebeurt op de werf en er is geen veiligheidscoördinator aangesteld, zal de opdrachtgever vervolgd worden en een straf riskeren, gaande van een geldboete tot een gevangenisstraf.

Een gewaarschuwd (ver)bouwer is er twee waard, dus neem contact op met Profex voor meer informatie!

Grote verbruiker van energie? Nu is hét moment om nieuw energiecontract af te sluiten!


De groothandelsprijzen voor elektriciteit op lange termijn staan momenteel op een zeer laag peil en gaan de komende dagen/weken vermoedelijk stagneren. Een belangrijke oorzaak van deze evolutie is het zachte najaar dat we gehad hebben, maar vooral ook de aankondiging van het terug opstarten van twee nucleaire reactoren. Het zachte najaar heeft trouwens ook een invloed op de aardgasprijzen, die momenteel, net als elektriciteitsprijzen, zeer laag staan.

Voor verbruikers vanaf 50 MWh elektriciteit of 100 MWh aardgas per jaar is het met andere woorden hét moment om contacten af te sluiten (voor verschillende jaren).  Dit kan uw bedrijf honderden tot duizenden, of zelfs tienduizenden euro’s per jaar besparen.

Het is echter niet evident om de contractvoorstellen van de verschillende leveranciers te analyseren en te vergelijken. Wenst u door specialisten begeleid te worden in het bekomen van goede contracten? Neem dan zeker contact op met ons! 

Grote energieverbruiker

 

Meer weten over het verlagen van uw energiekosten? Hier leest u er alles over!

Omgevingsvergunning definitief goedgekeurd


Op voorstel van Joke Schauvliege, Vlaams minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, heeft de Vlaamse Regering op 27/11/2015 het uitvoeringsbesluit voor de omgevingsvergunning goedgekeurd. 

De omgevingsvergunning zal wellicht eind 2016 in werking treden, één jaar na de publicatie van het uitvoeringsbesluit in het Belgisch Staatsblad. De omgevingsvergunning verenigt en vervangt de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning, wat moet leiden tot vlottere procedures, meer rechtszekerheid en betere besluitvorming. 

In tegenstelling tot de huidige milieuvergunning zal de omgevingsvergunning voor onbepaalde tijd gelden. Zo kan de  vergunninghouder bedrijfsinvesteringen doen, zonder rekening te moeten houden met de vervaldatum van zijn vergunning. Toch blijft de inspraak van de bevolking en de bescherming van mens en milieu gewaarborgd. De overheid zal de milieuvoorwaarden van bepaalde bedrijven evalueren en burgers, adviesinstanties en vergunningverlenende overheden krijgen mogelijkheden om de milieuvoorwaarden te laten aanpassen.

Nieuw is de verplichting voor de overheden om voor bepaalde ingewikkelde projecten op vraag van de initiatiefnemer een projectvergadering te organiseren. De mogelijkheid om de aanvraag tijdens de procedure te wijzigen, moet vermijden dat elk probleem tot het heropstarten van de procedure leidt. De omgevingsvergunning staat dus ook voor oplossingsgerichte vernieuwingen.

Wat kan u nu al doen?

De komst van de omgebvingsvergunning zorgt dus voor een aantal belangrijke wijzigingen, waarop u nu al kan anticiperen!
Terwijl er vandaag aparte bouw- en milieu-inspectiediensten zijn die elk instaan voor hun domein, zal milieu-inspectie vanaf 2017 bijvoorbeeld ook bouwovertredingen kunnen vaststellen (en omgekeerd). Voor wie reeds over een bouw- en milieuvergunning beschikt, kan het dus nuttig zijn om deze nu al naast elkaar te leggen en ze te laten regulariseren indien nodig. Hulp nodig? Onze consultants kunnen u zeker helpen!

Periodieke bodemonderzoeksplicht ook voor uw onderneming?


Sinds 1 juni 2015 wijzigde de wetgeving en de Vlarebo-indelingslijst, meer bepaald de kolom Vlarebo van de Vlarem-indelingslijst. Maar omdat het heel moeilijk is om lopende of oudere vergunningen toe te wijzen op basis van deze nieuwe indeling, zal er gewerkt worden met de indelingslijst die van kracht was op het moment dat de risico-activiteit begon. Of uw onderneming ook een periodiek bodemonderzoek moet laten uitvoeren, hangt dus af van de startdatum.

Heeft uw bedrijf een risico-onderneming met startdatum vóór 2008?

Dan gold de bodemonderzoeksplicht al in het kader van het Bodemsaneringsdecreet. Kijk eerst na in welke categorie van de toenmalige Vlarebo-lijst de activiteiten van uw bedrijf werden ingedeeld. Indien minstens één risico-inrichting behoort tot categorie A, B of C, moet er sowieso al een eerste periodiek bodemonderzoek uitgevoerd zijn. Meer informatie en de toenmalige indelingslijst kunt u hier terugvinden. 

Heeft uw bedrijf een risico-onderneming met startdatum na 2008?

Had uw bedrijf of onderneming voor de risico-inrichting geen verplichting in het kader van het Bodemsaneringsdecreet ? Kijk dan na of de risico-inrichting wordt ingedeeld in categorie A of B in de Vlarebo-indelingslijst, die u hier kunt terugvinden. Afhankelijk van de categorie en de startdatum van uw onderneming, ziet u in de tabel wanneer u een periodiek bodemonderzoek aan de OVAM moet bezorgen.

Heeft uw bedrijf een risico-onderneming met startdatum na 1 juni 2015?

Dan valt deze onder de nieuwe Vlarem-indelingslijst. Voor risico-inrichtingen die nadien gestart zijn, worden de indeling en de nieuwe verplichtingen bepaald via deze nieuwe indeling (zie bijlage I van Vlarem I).

Meer info

Twijfelt u of uw onderneming een periodieke onderzoeksplicht heeft? Neem contact op met een van onze erkende bodemsaneringsdeskundige via info@profex.be!

Beschikt uw bedrijf al over de verplichte lijst van gevaarlijke stoffen?


Sinds 1 juni 2015 ziet  rubriek 17 van de Vlarem-indelingslijst er helemaal anders uit. De rubriek zal enkel nog van toepassing zijn voor de opslag en aanwezigheid van gevaarlijke producten (inclusief gassen en aerosolen met gevaarpictogram). Brandbare vloeistoffen vallen voortaan onder rubriek 6.

Wat betekent deze wijziging?

Een bedrijf dat vóór 1 juni 2015 al duidelijk vergund was voor de opslag of aanwezigheid van alle gevaarlijke stoffen binnen de inrichting, moet geen aanpassing van de milieuvergunning doorvoeren. De milieuvergunning blijft onverminderd geldig. Onder duidelijk vergund wordt verstaan (*):

  • De opgeslagen producten zijn duidelijk met naam en hoeveelheid vermeld in het vergunningenbesluit (al of niet in een rubriek voor gevaarlijke stoffen).
  • De opgeslagen producten zijn niet met naam vernoemd in het vergunningsbesluit, maar in de vergunningsaanvraag zijn de producten duidelijk met naam en hoeveelheid vermeld (al of niet in een rubriek voor gevaarlijke stoffen).
  • U beschikt enkel over een opslag van gevaarlijke stoffen ingedeeld in rubriek 17.4, waarbij de werkelijke opslaghoeveelheid binnen het bedrijf niet stijgt t.o.v. de vergunde opslaghoeveelheid.

(*) Bron: CLP in de praktijk voor klasse 1 en klasse 2 bedrijven versie 21/04/2015 van het departement LNE, Vlaamse Overheid

Ook al hoeft uw  onderneming misschien geen aanpassing van de milieuvergunning te doen, toch moet elk bedrijf dat gevaarlijke of brandbare stoffen opslaat een vertaalslag uitvoeren. Deze vertaalslag houdt in dat u alle producten indeelt volgens de nieuwe indelingslijst en bijhoudt in een document. Dat moet u kunnen voorleggen bij een controle van de milieu-toezichtshouders. De vertaalslag moet bovendien uitgevoerd zijn vóór 1 december 2015.

Hulp nodig bij de vertaalslag?

Profex kan u helpen! Wij beschikken over een team van ervaren milieuconsultants verspreid over het hele land. Zij staan u met raad en daad bij, letten op de voorwaarden en zorgen voor een correcte opmaak van het document.

Zo begint u eraan!

De nieuwe indeling vertrekt vanuit de veiligheidsfiches, de zogenaamde SDS-fiches of VIB. Hierop staat de naam van het product, gegevens over de schadelijkheid en het pictogram dat het gevarensymbool bevat.

  • Vraag uw leverancier om fiches volgens de nieuwe wetgeving, dus met de nieuwe symbolen! (zie hieronder)
  • Verzamel alle technische veiligheidsfiches van uw aanwezige producten en stuur ze door naar uw Profex-consultant.

Naast de opmaak van het document, moet u ook de oude symbolen op de etiketten van opslagtanks  vervangen door de nieuwe. Ookuw veiligheidsfiches (SDS/VIB) dienen de nieuwe symbolen te bevatten om wettelijk in orde te zijn. Dit is reeds van toepassing!

Meer info

Voor meer informatie kan u terecht bij een van onze consultants via info@profex.be

 

Opslag van gevaarlijke stoffen

 

 


 

Racen op zonne-energie


World Solar Challenge 

Op 18 oktober 2015 is het zover: dan strijden 30 universitaire teams van over heel de wereld voor de titel in de World Solar Challenge, een tweejaarlijkse race voor wagens die rijden op zonne-energie. Dit jaar loopt het parcours dwars door Australië, vertrekkend vanuit Darwin en 3.021 kilometer verder eindigend in het zuidelijke Adelaide. Een team van zestien studenten industrieel ingenieur van Groep T uit Leuven zal er onze driekleur verdedigen. 

Elk deelnemend team heeft 15 maanden tijd voor het ontwikkelen en bouwen van een nieuwe zonnewagen voor de race. De Belgische delegatie, die al vijf keer aan de start verscheen, legt momenteel de laatste hand aan hun zesde zonnewagen: de Punch One. Het is de eerste assymetrische vierwieler die het team ooit bouwde. Ze kozen voor dit assymetrisch model, aangezien de luchtweerstand van de wagen maar liefst 30% lager ligt dan bij een symmetrische wagen. Verder is de wagen zo’n 10kg lichter dan zijn voorganger door optimalisaties binnen het productieproces. Hierdoor zal het zonnepaneel op de zonnewagen ongeveer 50% meer energie binnenhalen dan de zonnepanelen op onze daken! De topsnelheid van de zonnewagen is gedaald van 130km/u naar 125km/u, maar deze vermindering is een bewuste keuze van het team aangezien de wagen door een lagere topsnelheid aan een hogere gemiddelde snelheid kan rijden. En dat is wat telt tijdens de race in Australië!

Duurzame energie

Primaire energiebronnen worden steeds minder geproduceerd, waardoor we creatief te werk moeten gaan met duurzame energie. Zonne-energie is een belangrijke component in deze evolutie. Met hun zonnewagen wil het Belgische Solar Team niet alleen bijdragen aan de ontwikkeling van duurzame energie, maar ook een mogelijke toepassing ervan tonen aan het brede publiek. Zo hopen ze ook vooral de jongere generatie aan te spreken en hen warm te maken voor technologie en wetenschappen. Ook Profex wil jongeren inspireren en hen aanzetten tot ondernemen en innoveren in de wereld van morgen. We zijn dus verheugd dat we sinds kort ook officieel het Belgische Solar Team steunen. 

Tijdens de vorige editie van de World Solar Challenge behaalde het Belgische Solar Team nog een knappe 6de plaats. Dit jaar mikken ze nog een paar plaatsen hoger en hopen ze op een podiumplaats. Het Profex-team wenst hen alvast veel succes!

Meer info

Meer informatie over het Belgische Solar Team en hun zonnewagen vindt u op hun website.

Verplichte energieaudit voor grote bedrijven


Nieuwe regelgeving

Volgens de Europese richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie moeten alle ondernemingen die geen kmo zijn tegen 5 december 2015 een energieaudit laten opmaken en deze om de vier jaar actualiseren. Voor de Vlaamse bedrijven is de richtlijn opgenomen in Vlarem.

Voor wie?

De verplichte energieaudit geldt voor alle bedrijven, ongeacht het energieverbruik, waar:

  • ofwel meer dan 250 personen werkzaam zijn,
  • ofwel de jaaromzet 50 miljoen euro overschrijdt én het jaarlijks balanstotaal 43 miljoen euro overschrijdt.

Deze voorwaarden gelden per vestiging. Indien er geen aparte cijfers per vestiging beschikbaar zijn, mag een opsplitsing gemaakt worden op basis van de verhouding van het personeelsbestand per vestiging om de criteria te toetsen.

Vrijstelling

Sommige grote ondernemingen worden vrijgesteld van de verplichte energieaudit:

  • vestigingen die wegens een jaarlijks energieverbruik van meer dan 0,5 PJ een conform verklaard energieplan hebben (Vlarem II, afdeling 4.9.1),
  • vestigingen die toegetreden zijn tot één van de energiebeleidsovereenkomsten (lees hier hoe Profex hierbij kan helpen),
  • vestigingen die beschikken over een energiemanagement conform EN 16001 of ISO 50001,
  • vestigingen die beschikken over een geldig EPC (energieprestatiecertificaat) Publiek Gebouw.

Praktisch

De energieaudit kan zowel door een interne als door een externe energiedeskundige uitgevoerd worden. De resultaten dienen ingegeven te worden via de webapplicatie Energieaudit Grote Ondernemingen. Ook inrichtingen die vrijgesteld zijn door hun energieplan of energiemanagement, moeten de webapplicatie invullen. Enkel ondernemingen die zijn toegetreden tot een van de energiebeleidsovereenkomsten, worden hiervan vrijgesteld.

Meer info

Voor meer informatie over de wetgeving en de webapplicatie kan u terecht bij het Vlaams Energieagentschap (VEA).

Hulp nodig bij uw energieaudit? Profex heeft enkele ervaren energiedeskundigen in huis die u met raad en daad bijstaan!

Lastenboek en meetstaat: onmisbaar voor uw bouwproject


Lastenboek           

Het lastenboek is een volledige beschrijving van alle werken die nodig zijn voor de uitvoering van het bouwproject. De grote lijnen zijn standaard, maar de details verschillen van project tot project en zijn bepalend voor de kwaliteit en de prijs van uw bouwproject. Het lastenboek bestaat uit een omschrijving van de werken en richtlijnen voor de uitvoering ervan. Ook de exacte materiaalkeuze, kleur, afmetingen, technieken enz. staan hierin vermeld. Zo voorkomt u eventuele misverstanden of fouten tijdens de uitvoering van de werken.

Meetstaat

Naast een omschrijving van de verschillende werken, moeten natuurlijk ook de juiste hoeveelheden  van de gebruikte materialen opgesomd worden. Dat gebeurt in de meetstaat.  U vindt er bijvoorbeeld de hoeveelheid metselwerk, beton, wapening, pannen en tegels. Voeg hierbij de marktconforme eenheidsprijzen en u kan zo een realistische prijsraming maken van het totale bouwproject. Wanneer uw architect het lastenboek en de meetstaat naar verschillende aannemers stuurt, kan u ook gemakkelijk prijsoffertes aanvragen en vergelijken.

Zijn ze allebei nodig?

Niet alle architecten werken zowel een lastenboek als een meetstaat uit. Het weglaten van een van de twee zou de kosten (minimaal) drukken, maar kan u uiteindelijk duur komen te staan! Vooreerst helpen beide documenten u om de prijzen van verschillende aannemers te vergelijken en op die manier een budgetvriendelijke keuze te maken. Daarnaast voorkomt u ook onvoorziene meerprijzen tijdens de bouwwerken, omdat er op basis van beide documenten duidelijke afspraken zijn gemaakt met de aannemer. Neem dus geen risico als opdrachtgever en laat zowel een lastenboek als een meetstaat van uw bouwproject opmaken.

Profex ondersteunt de architect!


​De overheid kondigt al enkele jaren administratieve vereenvoudigingen aan om het de architecten wat eenvoudiger te maken. Het gaat dan meer bepaald over de digitale bouwaanvraag en de omgevingsvergunning. Maar verschillende gemeentes zijn hier nog niet optimaal op voorbereid, waardoor de omschakeling voorlopig nog wat stroef verloopt. Voor dit en nog zoveel meer kunnen architecten terecht bij Profex.

Onze experts ondersteunen een architect bij het onderhandelen en het bekomen van alle stedenbouwkundige vergunningen, maar helpen hen ook verder met onder andere stabiliteitsstudies, advies rond funderingen, de energieprestatieregelgeving, de veiligheidscoördinatie, de meetstaat… Ze vergelijken verschillende offertes, maken contracten op met aannemers en volgen ze op, doen werfopvolging en staan in voor de voorlopige of definitieve oplevering. Kortom, zij zorgen ervoor dat architecten zich kunnen focussen op de hoofdzaken!

Meer weten over bouwen en gebouwen? Hier vindt u een overzicht!

Nieuwe voorwaarden voor biogasinstallaties


Wanneer bedrijven GPBV-plichtig zijn, moeten ze een geldig bodemonderzoek of situatierapport kunnen voorleggen. Afvalverwerkers moeten ook over een milieuzorgsysteem beschikken. Gebruikt u meer dan 0,1 PJ aan energie per jaar? Dan bent u verplicht een energiedoorlichting te laten doen. Uw bedrijf zal ook extra gecontroleerd worden op de milieuvergunning en de exploitatievoorwaarden. Is uw bedrijf GPBV-plichtig geworden door uitbreiding, dan moet u ten laatste op 1 juli 2015 voldoen aan deze verplichtingen.

Over biogasbedrijven was er nog onduidelijkheid of deze al dan niet moesten voldoen aan deze verplichtingen. Maar sinds 31 maart 2015 is de kogel door de kerk: biogasbedrijven met een capaciteit van meer dan 36.500 ton totale input per jaar of 100 ton per dag, vallen eveneens onder de GPBV-regels. Ook zij moeten dus ten laatste op 1 juli 2015 voldoen aan de bovenstaande verplichtingen.Vraag meer informatie aan Silvio Giovannelli (Oost) of Keaty Maes (West) zodat u deze verplichtingen snel en correct in orde kan maken.

Waarom brandbelasting berekenen in industriegebouwen?


In augustus 2009 werd de zogenoemde 'bijlage 6' toegevoegd aan het Koninklijk Besluit tot "vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen.”

Dat betekent dat ook industriële gebouwen in dit KB opgenomen werden. Het KB kreeg een update in juli 2012, maar dit bracht geen grote wijzigingen in de bijlage 6. Hoewel vrijwel elke architect en studiebureau bekend is met deze wetgeving, schatten velen de impact ervan niet voldoende in. Nog te veel beperkt men zich voor het vaststellen van de brandbelasting tot het gebruik van de typevoorbeelden uit het KB. Dit kan echter relevante meerkosten met zich meebrengen, zowel in de structurele elementen als in de brandpreventiemaatregelen. Een aantal waarden waarheidsgetrouw berekenen, dit betekent, rekening houdend met wat de reële brandklasse zal zijn in exploitatie, kan de factuur tijdens de uitvoering, merkelijk lichter maken. We schetsen het kader en lichten een aantal cases toe.

Lees hier het volledige artikel.

Lees ook: wijzigingen brandwetgeving scheppen mogelijkheden.

Dit artikel werd geschreven door Koen Steenhoudt en verscheen eerder in Projecto.

Gebruik van houtconstructies in projecten


Voor- en nadelen van houtconstructies

  Hout geeft een specifiek karakter aan een gebouw, en is meestal een bewuste keuze van de architect of de bouwheer. Ten opzichte van staal en beton, moet je bij het ontwerp wel rekening houden met een verlies van
hoogte. Hout heeft bovendien een goede brandweerstand, zonder dat je het moet afschermen. Dat is zeker een voordeel ten opzichte van staal. In zwembaden en andere
corrosieve omgevingen, is hout zeker een te overwegen alternatief.

  De prijs van houtconstructies ligt wel hoger dan die van staal en beton. Toch is dat prijsverschil de afgelopen tien jaar gekrompen, in de eerste plaats omdat de staalprijs de hoogte in geschoten is. Hout is arbeidsintensief op de werf en de invloed van de weersomstandigheden bij de montage, mag niet onderschat worden. Montage in het werkhuis is een alternatief. Het transport wordt dan wel complexer. De verbindingen zijn bij houtconstructie aandachtspunt nummer 1 en dat zowel bij het ontwerp van de verbinding, het maken, de montage als de afscherming. In de woningbouw zijn er wel standaardverbindingen te verkrijgen. Voor grotere projecten is dat nog maar beperkt het geval. Hoe meer houtgebruik ook daar ingang vindt, des te meer zullen er ook voor deze projecten standaardoplossingen ontwikkeld worden.

  Welke houtsoort gebruiken?

  Uiteraard speelt het uitzicht mee bij deze keuze. Maar ook de sterkte die de constructie nodig heeft, bepaalt de houtsoort. En dat is een complexer verhaal dan bij beton en staal. De keuze van de houtsoort wordt bepaald door de veiligheidscoëfficiënt van het hout, de klimaatklasse en de belastingsduurklasse. De stabiliteitsingenieur houdt ook met deze klassen rekening in zijn berekeningen.

  Tabel 1 Aanbevolen partiële factoren γM voormateriaaleigenschappen en weerstanden

Tabel 1

  Tabel 2 Klimaatklasse

Tabel 2

 

Tabel 3 Belastingsduurklassen

 

Tabel 3

 

  Ook de brandveiligheidseisen spelen een rol bij de houtkeuze. Per houtsoort is er een carbonisatiediepte bepaald. Voor den is die bijvoorbeeld 0,7 mm inbranding/minuut. Voor voleiken spanten 0,5 mm/min. Op die manier kan je de materiaaldikte bepalen wanneer je bijvoorbeeld een brandweerstand van 60 minuten nodig hebt. Vergeet hierbij de verbindingen niet mee te tellen en te berekenen. In uitvoering wil dit bijvoorbeeld zeggen dat koppen van bouten afgeschermd moeten worden om de correcte brandweerstand te bekomen.

 

  Verbindingen: de constructie is maar zo sterk als zijn zwakste schakel

 

  Verbindingen zijn hét aandachtspunt bij houtbouw. Verlijmde verbindingen worden doorgaans in het werkhuis gemaakt. Dat is een voordeel omdat deze onder gestandaardiseerde omstandigheden gemaakt worden en geen last hebben van de wisselende weersomstandigheden op de werf. Het transport van dergelijke grote elementen, moet wel mogelijk zijn. Meestal worden verbindingen daarom op de werf gemonteerd. Dat vergt het nodige vakmanschap.

 

  Er bestaan verschillende soorten verbindingen, specifiek voor hout op staal, hout op beton of hout op hout toepassingen. In projecten zijn de meest voorkomende: verlijmde verbindingen, bouten in cirkelverbinding, nagelplaten en klemmen. De laatste tijd zijn ook stiftverbindingen bezig aan een opmars. Het uitzicht van de verbinding doet er uiteraard ook toe. Fabrikanten denken ook zelf nieuwe verbindingen uit. De stabiliteitsingenieur berekent deze, en laat, waar nodig, wijzigingen aanbrengen in het ontwerp. Bij zware verbindingen geeft hij eveneens aan hoe ze moeten uitgevoerd worden en hij controleert dit tijdens de montage op de werf.

 

  Aandachtspunten bij scharnieren

 

  Zeker bij gecombineerde hout/beton- en hout/staal-constructies, moet de aannemer de nodige aandacht besteden aan de scharnieren. Bij houten spanten op betonnen of stalen palen, wordt wel eens vergeten dat de grondverankering zwaarder moet zijn dan bij volledige staal- of betonconstructies. Hoeveel zwaarder? Dat berekent de stabiliteitsingenieur en hij controleert het op de werf

 

  Voorbeeld van een berekend houtproject: de gemeentelijke bibliotheek van Gingelom

 

  Architectenbureau FCS Hasselt ontwierp de bibliotheek van de gemeente Gingelom. Deze werd gebouwd in 2003-2004 en is een combinatie van beton en hout. Lichtinval en materialen waren belangrijk. Daarom koos men voor een licht ogende vakwerkconstructie in het dak. Het gelamineerde multiplexhout van de spanten komt terug in de boekenrekken. De verbindingen in het project zijn. De vakwerken werden deels in het werkhuis in elkaar gezet, deels op de werf, met plaatverbindingen.

 

  De stabiliteitsingenieur berekende de stabiliteit van het volledige project, berekende in detail de vakwerken en de verbindingen en verzorgde daarvoor ook de werkhuistekeningen. Tijdens de montage deed hij regelmatig controle.

 

  Besluit

 

  Houtconstructies zijn zeker het overwegen waard, ook bij grotere projecten en overspanningen. Gedetailleerde stabiliteitsberekeningen en opvolging van een ingenieur van bij het ontwerp tot en met de uitvoering op de werf, is wel nodig. Hout ‘werkt’ immers toch anders dan beton en staal.

 

  Dit artikel werd geschreven door Jos Dreesen en Koen Steenhoudt

Basisprincipes bij de kostenoptimalisatie van uw bedrijfafvalwater


Eisen en voorwaarden in de milieuvergunning

  Een vergunning voor de lozing van afvalwater, is de basis.
Deze activiteit moet dus opgenomen zijn in uw milieuvergunning, en dit zowel voor het huishoudelijk afvalwater van toiletten, wastafels en douches, als voor het afvalwater van de productie en het proces. Een niet-vergunde lozing wordt aanzien als een illegale lozing van afval. Vroeger rekende de VMM een forfaitaire heffing van één kalenderjaar aan. Sinds vorig jaar brengen zij de duur van de illegale lozing in rekening. Het boetetarief stijgt dus met de duur van de lozing. Heffingscorrecties van 150.000 euro zijn geen uitzondering.

  Is de lozingsactiviteit vergund, kijk dan ook naar de lozingsvoorwaarden. Wist u trouwens dat er voor elke chemische stof die u loost, een indelingscriterium (IC) bepaald is? Overschrijdt u deze waarde in het afvalwater, dan moet u voor die parameter een lozingsnorm in uw milieuvergunning aanvragen. Besteed dus de nodige tijd aan de aanvraag van de lozing in uw vergunningendossier. Checkt u regelmatig welke parameters u niet mag overschrijden. Of wacht u tot milieu inspectie dat voor u doet? Op het overschrijden van lozingsnormen staan zware boetes, tot 250.000 euro per proces-verbaal, te vermeerderen met de opdeciemen die een factor 5,5 bedragen voor strafrechtelijke geldboetes.

  Noodlozingen en tijdelijke lozingen worden trouwens veel strenger beoordeeld dan vroeger. Enkel via speciale contracten en tijdelijke vergunningen is dit nog mogelijk. Plant u aanpassingen aan de waterzuiveringsinstallatie, dan vraagt u een lozing aan via een tijdelijke vergunning. Hebt u deze noodlozing of tijdelijke lozing correct aangevraagd, dan krijgt u trouwens vrijstelling van de heffing voor dat deel van de lozing.
Dit was vroeger niet het geval.

  Ook de afkoppeling van hemelwater wordt strenger opgevolgd dan vroeger. Er zijn wel enkele overgangstermijnen voorzien waardoor u de tijd hebt om uw intern rioleringsstelsel aan te passen.

  Door de daling van de grondwatertafel, wordt het in de toekomst moeilijker om een vergunning te krijgen voor het oppompen van grondwater. Bekijk dus of u hemelwater kan hergebruiken in uw bedrijf.

Afvalwaterheffing: forfaitair of via meetcampagne

  Sinds vorig jaar is er een aangepast systeem van waterheffingen. Het is een voortschrijdend systeem: dat wil zeggen dat de coëfficiënten de komende jaren strenger worden en dat ook de oppervlaktelozers met de nieuwe waterheffing te maken krijgen. Nu de coëfficiënten nog niet op hun hoogst zijn, is het dus het moment om uw bedrijfsafvalwater en de bijhorende heffing in detail te bekijken. Ook als u de komende jaren een uitbreiding van uw activiteiten plant, bekijkt u de gevolgen voor de heffing nu al. Zo’n heffing betaalt u namelijk alle jaren. Dit kan dus een serieuze impact op uw bedrijfskosten hebben als deze niet geoptimaliseerd is.

  Loost u in de openbare riolering, dan wordt uw afvalwater de volgende jaren vooral beoordeeld op zijn verwerkbaarheid. Deze component houdt rekening met de verhoudingen van CZV (Chemisch Zuurstof Verbruik), BZV (Biologisch Zuurstof Verbruik), stikstof en fosfor in het afvalwater. Hoe beter verwerkbaar het water is, hoe lager de component en hoe lager de heffing. Complementair afvalwater dat een gunstige invloed heeft op de openbare waterzuiveringsinstallatie, kan zelfs een korting krijgen. Laat u een heffingscampagne uitvoeren, dan worden de verhoudingen daar bepaald. Maakt u gebruik van de forfaitaire aangifte, dan wordt de verwerkingscoëfficiënt bepaald op basis van een bijkomende omzettingscoëfficiënt. Vergeet niet dat de forfaitaire aangifte berekend wordt op het water dat u verbruikt, en niet op de hoeveelheid die u loost. Gaat er veel water in het proces en wordt dit niet geloosd, dan is een heffingscampagne interessanter. Daar meet men de effectief geloosde hoeveelheid.

  Gebruikt u grote hoeveelheden leidingwater of grondwater in de productie, bijvoorbeeld in baden, en wordt dit water nooit in de riolering terecht? Vergeet dan niet dat u dit volume van uw aangifte kan schrappen. Bij grote volumes scheelt dit aardig wat in de heffingsfactuur. Anderzijds voegt u het hemelwater dat u in het proces gebruikt, en loost, wel toe in de aangifte.

Welke afvalwaterbehandeling kiest u?

  Moet u nu of in de toekomst investeren in een afvalwaterbehandeling, doe dan een waterstudie. Via deze studie brengt u de waterstromen en de verbruiken in kaart en doet u ook een prognose van de toekomstige verbruiken. Daarna screent u de technieken en doet u een marktbevraging. Op basis van deze informatie maakt u nadien een technische en economische haalbaarheidsstudie van de technieken. U krijgt een goed zicht op zowel de globale impact van het watermanagement, de technische als de economische haalbaarheid. Voor zo’n waterstudie kan u in bepaalde gevallen beroep doen op de KMO-portefeuille.

Besluit

 

  Afvalwater kost uw bedrijf geld, zowel voor de zuivering als voor de heffing die u jaarlijks betaalt. Maar u hebt wel invloed op de omvang van de kost en de evolutie ervan in de toekomst. Neem dus de tijd om de
verschillende componenten van de afvalwaterkost te bekijken en toekomstgerichte beslissingen te nemen.

  Dit artikel werd eerder gepubliceerd in VOM info 09/14 en werd geschreven door Lies Bamelis en Keaty Maes

Er zit energie in uw tuinafval!


​Is het afval of niet?

Is groen- en houtafval eigenlijk wel afval? Het Materialendecreet en het VLAREMA (Vlaams reglement voor het duurzaam beheer van Materiaalkringlopen en Afvalstoffen) geven daar antwoord op. Maximaal voorkomen en hergebruiken van afvalstoffen is de doelstelling. Pas als het echt niet anders kan, mag afval verbrand of gestort worden. De wetgeving geeft aan welke biomassa een afvalstof is en wat u als product in een ander proces kan gebruiken.

Groenafval composteren of mulchen?

Groenafval komt vrij in tuinen, plantsoenen, parken en langs wegen. Het gaat dan om grof of verhakseld snoeihout, haagscheersel, stronken, bladeren en gazonmaaisel. 

Volgens de wet is er geen reden om dit afval te storten of te verbranden. U kan het immers gemakkelijk verwerken tot compost.

Als tuinaannemer of groenbeheerder hebt u verschillende alternatieven. Voor kleine hoeveelheden groenafval is een beperkte opslag op het eigen bedrijf mogelijk. U mag zonder vergunning 40 m³ opslaan in een container, op voorwaarde dat u regelmatig afvoer voorziet. Dit kan naar een erkend composteerder of verwerker, of bij het gemeentelijk containerpark.

Wil u zelf composteren? Dan is dit enkel interessant als u vaak en veel groenafval ontvangt. U moet immers aan heel wat voorwaarden voldoen. Als composteerbedrijf hebt u naast een milieuvergunning ook een stedenbouwkundige vergunning nodig. En om de compost nadien te mogen gebruiken, moet deze het statuut ‘grondstof’ krijgen. Een onafhankelijke keuringsinstelling levert hiervoor een attest af. 

Wilt u de compost ook verhandelen? Dan moet u bij de FOD volksgezondheid, veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu een ontheffing aanvragen. 

Naast composteren kan u groenafval ook gebruiken als mulchmateriaal. De overheid streeft naar een goed evenwicht tussen beide toepassingen. Snoeihout is voor composteringsinstallaties een noodzakelijk structuurmateriaal. Hoofdzakelijk gebruik als mulch kan de goede werking van de compostering dus verstoren.

Om kwaliteitsvol mulchmateriaal te produceren maakt u best enkel gebruik van gezond en zuiver snoeihout. Fijn materiaal zoals maaisel, onkruiden, bladeren… beperken de onkruidwerende werking van mulchmateriaal of geven een slechte geur. 

 

Het gebruik van afvalhout (bouw- en sloopafval, paletten…) is niet toegestaan. En ook fijn groenmateriaal (gras, bladafval, haagscheersel, groen van coniferen…) mag u niet gebruiken, tenzij u bij een particulier het eigen snoeiafval verhakselt. 

Hout is soms afval

Hout is een biomassa die zowel afvalstof als product kan zijn. Teelt u korte omloophout, hebt u bomen of houtkanten met houtoogst als doel? Hebt u houtige stromen uit bosexploitatie of doet u aan bosonderhoud? Dan is dit hout geen afval, maar een product voor energietoepassingen. 

Speciaal is het snoeihout afkomstig van het onderhoud van houtkanten. Dat moet afgevoerd worden naar een vergunde groencompostering. Is er in deze composteerinstallatie een overaanbod? Dan kan de OVAM (Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij) toestaan om het overschot naar een verbrandingsinstallatie te brengen. 

U kan dit verhakseld snoeihout ook als bodembedekker gebruiken. Maar u mag hiermee de aanvoer naar de composteerinstallaties niet in het gedrang brengen.

 

Aan de andere kant is er het (industrieel) houtafval. Dat wordt onderverdeeld als onbehandeld (paletten, fruitkisten), niet-verontreinigd behandeld (spaanplaten, OSB, geverfd of gevernist hout) en verontreinigd behandeld (chemisch behandeld) hout. In de handel spreekt met ook over A-, B- en C-hout. A-hout moet u bij voorkeur hergebruiken of in andere houtproducten laten verwerken. Wilt u A-hout verbranden? Dan kan dat zonder milieuvergunning als u een installatie hebt met een thermisch vermogen lager dan 300 kW. Voor het verbranden van B- en C-hout hebt u steeds een milieuvergunning nodig.

Berm- en natuurmaaisels als hernieuwbare energie

Volgens het Bermbesluit is het maaien van bermen en graskanten enkel toegestaan na 15 juni en moet het bermmaaisel binnen de 10 dagen afgevoerd worden. Zo komen aanzienlijke hoeveelheden biomassa vrij op het moment dat de gemeentelijke composteringseenheden al overbelast zijn. Dat maakt het correct beheer van maaisel moeilijk. 

Een veelbelovende uitweg is het vergisten van berm- en natuurmaaisel. OVAM heeft deze grasvalorisatie opgenomen in een beleidsnota en wil de verdere uitwerking ervan ondersteunen. 

Geschikt bermmaaisel moet aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen. De hoeveelheid vervuilende elementen (bodem, zand, plastic, …) moet beperkt zijn en het maaisel moet zo snel mogelijk (binnen 48 uur) vergist of ingekuild worden om het energiepotentieel maximaal te benutten. Nieuwe types van maaiers (met trommels in plaats van klepels) en logistieke verbeteringen kunnen hierbij helpen. 

 

Het GR3 project (Gras als Groene Grondstof) is een Europees project dat het gebruik van gras en andere kruidachtige gewassen als energiebron promoot. GR3 organiseert evenementen zodat aanbieders en afnemers van maaisel elkaar kunnen vinden. Naast Profex als coördinator, nemen verschillende Vlaamse partners deel aan het project (UGent, Inagro, Pro Natura & Provinciale Hogeschool Limburg). 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in CG Concept en werd geschreven door Jason Van Driessche.

Wat betekenen MER, ontheffing en MER-screening voor uw nieuw project?


Wetgeving

In aprli 2013 werd er een aanpassing in de MER-wetgeving (milieu-effectrapportage-wetgeving) doorgevoerd. Aan bijna elke milieu- of stedenbouwkundige aanvraag moet nu een screening toegevoegd worden. In deze screening toont de initiatiefnemer aan dat zijn project geen aanzienlijke gevolgen zal hebben voor mens en milieu, en dat de opmaak van een milieu-effectrapport (MER) niet vereist is. De MER-screening is een afzonderlijk document, waarin wel verwezen wordt naar de stedenbouwkundige en milieuvergunningsaanvraag, waarbij de screening hoort. Deze screening wordt ook aan de stedenbouwkundige en de milieuvergunningsaanvraag van het dossier toegevoegd.

Deze aanpassing van de wetgeving bereidt de komst van de omgevingsvergunning voor. In deze omgevingsvergunning zullen milieu- en bouwdossier gekoppeld worden. De MER-screening wordt dan toegevoegd aan de aanvraag van de omgevingsvergunning.

Eenvoudig stappenplan

In de MER-wetgeving zijn drie bijlagen opgenomen. Bijlage 1 is de zwaarste. Is het project in te delen in één van de categorieën in Bijlage I van het project-MER-besluit van 2004, dan moet je een MER opmaken voor het project. Het MER-dossier voeg je vervolgens toe aan de stedenbouwkundige en de milieuvergunningsaanvraag.

Komt het project voor in de Bijlage II van het project-MER-besluit, dan kan je een ontheffing van de MER-plicht aanvragen. In een rapport motiveer je waarom de effecten van het project niet van die mate zijn, dat een MER vereist is. Zowel een MER als een ontheffing worden opgemaakt door een studiebureau en door erkende MER-deskundigen. Zo kunnen projecten als ontbossing, stadsontwikkelingsprojecten, de aanleg van vakantiedorpen en de aanleg van een golfterrein onder de Bijlage II vallen en kan een ontheffing van de MER-plicht nodig zijn.

Is het project echter opgenomen in Bijlage III van het project-MER-besluit, dan kan je via een MER-screening aantonen dat er geen MER vereist is voor het project. In deze screening wordt een samenvatting gegeven van de aard van het project, de ligging en de mogelijke effecten. De screening hoeft niet door een studiebureau en/of (erkende) deskundigen opgemaakt te zijn maar het is wel aangewezen. De initiatiefnemer kan er echter voor kiezen dit zelf op te maken, indien hij zich daartoe in staat acht uiteraard. Op basis van de screening wordt dan beslist of een MER nodig is.

Enkele voorbeelden van projecten in Bijlage III

De bouw van serviceflats, de aanleg van een cultureel centrum of een tentoonstellingsruimte, de aanleg van parkeergarages of een ondergronds parkeerterrein maken deel uit van Bijlage III. Een project-MER-screening is dus nodig. Samengevat vallen alle stadsontwikkelingsprojecten onder deze Bijlage, ongeacht of het project al dan niet in een stedelijke omgeving gelegen is. Woonontwikkelingen, ziekenhuizen, universiteiten, sportstadions, bioscoopzalen, theaterzalen en busstelplaatsen zijn voorbeelden van stadsontwikkelingsprojecten.

Wat houdt zo’n project-MER-screening in?

 In de screening doet de opsteller uitspraak over onder meer de thema’s:

  • water
  • geluidsemissies
  • mobiliteit
  • lichtemissie
  • de effecten op het landschap (visuele impact), het onroerend erfgoed en de natuur

Stadsontwikkelingsprojecten gaan veelal samen met een goed uitgewerkte landschappelijke integratie en het voorzien van groenelementen. Deze aspecten worden gunstig beoordeeld. Zo kan een project bestaande erfgoedelementen positief benadrukken of zal het voorzien van een bloemenveld met veel nectarplanten de aanwezigheid van bijen en vlinders bevorderen. Ook kan de architecturale uitvoering van het project en het passend voorzien van groenelementen, zoals hagen en bomenrijen, bepaalde effecten die verbonden zijn aan het project, milderen. Een goed uitgebouwd groenscherm vangt bijvoorbeeld stof op van verkeersemissies en remt de verspreiding van geluid af.

De vergunningverlenende overheid moet alle relevante info over het project terugvinden in de screening. Een goed onderbouwd rapport heeft dus de meeste kans op slagen. Voorafgaand overleg met de administraties is belangrijk. Zo kan je rekening houden met de noden van de omgeving en deze integreren in het project. Ligt het project bijvoorbeeld vlakbij een natuurreservaat, dan is overleg met het Agentschap voor Natuur en Bos aangewezen. Is er een passende beoordeling nodig, dan moet deze als bijlage bij de screening gevoegd worden. Ook alle andere verplichte studies zoals een mobiliteitstoets, een geuronderzoek, een watertoets, worden opgenomen in het screeningsrapport. Een goed doordachte MER-screening is dus onontbeerlijk voor een vlotte afhandeling van de verschillende vergunningentrajecten.

Een overzicht van de bijlages van het MER-besluit, vindt u via EMIS.

Tuinaannemers, waarvoor hebt u een vergunning nodig?


​Als tuinaannemer vertrekt u uiteraard vanuit de tuin zelf en maakt daar een ontwerp voor. Hou daarbij wel rekening met de verplichtingen die gelden voor bepaalde constructies bij uw klanten. We geven u hier een handig overzicht.

Particuliere tuinconstructies

  Er was een tijd dat voor elk gebouw(tje) een vergunning nodig was. Zelfs voor een gewone afsluiting was een bouwvergunning nodig. De wetgeving is op dat vlak gelukkig wat soepeler geworden. ‘Houten bijgebouwen’, zoals men tuinhuizen, poolhouses, carports en dergelijke kan noemen, zijn nu in veel gevallen vrijgesteld van vergunning. En ook de aanleg errond is gemakkelijker. Maar er zijn wel enkele punten waarmee we rekening moeten houden.

  Willen we binnen de vergunningenvrijstelling blijven? Dan is 40 m² de maximum grootte voor het nieuwe tuinhuis. En de maximale hoogte is drie meter. Ook de noodzakelijke verharding, zoals een tuinpad of een toegangsweg, mag dan zonder bouwvergunning aangelegd worden.

 

  Neigt het tuinhuisje eerder naar een poolhouse of komt er een terras of een zwembad bij? Dan mag de verharde oppervlakte maximum 80 m² zijn. Ook het zwembad telt mee in die oppervlakte. De toegangsweg wordt niet mee in rekening gebracht want die is noodzakelijk om op een normale manier tot aan het tuinhuis of zwembad te geraken.

Waar mag het tuinhuis staan?

  De wetgever wil dat bijgebouwen in de ‘nabijheid van de woning’ staan. Binnen een straal van 30 meter rond de woning bedoelt hij daarmee. Komt het tuinhuis dieper in de tuin te liggen, dan is een vergunning nodig. Het is maar de vraag of er een vergunning verleend zal worden. Zeker wanneer het perceel buiten de (planologische) zone van het woongebied ligt, is dat niet altijd even eenvoudig.

  En wat met de boom die net op de plaats staat waar het tuinhuis moet komen? Mag die zomaar geveld worden, zonder vergunning? Ja, als hij op maximaal 15 meter van de woning staat, in woongebied of agrarisch gebied en niet tot een bos behoort. Het gaat hier enkel om hoogstambomen, dit zijn bomen waarvan de stam op één meter hoogte een omtrek van minstens één meter heeft. Maar een beetje boom zit al snel in die categorie. En wanneer vormen bomen een bos of zijn het maar gewoon een paar bomen bij elkaar?

  We weten allemaal dat we voldoende afstand moeten respecteren tot de buur. Maar hoeveel is voldoende? Staat het bijgebouw in de zijtuin? Dan moet het minstens drie meter van de scheiding gebouwd worden. In de achtertuin is er maar één meter nodig. In de achtertuin mag men wel rechtstreeks tegen een bestaande scheidingsmuur aanbouwen. Wel opletten dat los- en toegangswegen vrij blijven natuurlijk. Dat wordt wel eens vergeten, zeker bij de bouw van een carport.

  Een bouwvallig gebouw slopen en op diezelfde plaats een nieuw tuinhuis bouwen? Dan mogen we dezelfde grootte aanhouden … op voorwaarde dat het eerste gebouw vergund was. Wordt het nieuwe tuinhuis groter dan 40 m², dan is er toch een nieuwe vergunning nodig.

  Hoe weten we of een gebouw wel of niet vergund is? In het gemeentehuis kunnen ze doorgaans perfect zeggen welke gebouwen op een terrein vergund zijn, en welke niet.

 

  Een aandachtspunt bij de afbraak: op veel bijgebouwen liggen nog asbesthoudende golfplaten. Voorzichtigheid is geboden. De asbestplaten mogen verwijderd worden door een geattesteerd aannemer of door de particulier zelf, als hij tenminste de nodige voorzorgsmaatregelen neemt. Het is aan te raden de materialen vochtig te maken en zo weinig mogelijk te breken. De platen worden ingepakt (draag handschoenen!) en afgevoerd naar het gemeentelijk containerpark.

Wat met het terras? En het zwembad met poolhouse?

  Dat wordt misschien te veel van het goede? De 40 m² die we mogen gebruiken voor bijgebouwen en die 80 m² voor (niet-noodzakelijke) verharding kunnen maar één keer ingevuld worden. Staat er al een serre van 20 m²? Dan zal het tuinhuis ook maximaal 20 m² groot mogen zijn. Tenzij er een vergunning gevraagd en verleend wordt natuurlijk.

Professioneel materiaal vraagt meer ruimte

  Met een groeiende markt, groeit ook de business van de tuinaannemer. Zijn gereedschap past al lang niet meer in een tuinhuis. Tijd voor een loods?

  Een gepaste loods is algauw heel wat vierkante meters groot. Het is snel duidelijk dat hiervoor een stedenbouwkundige vergunning nodig is. Maar het is niet zeker dat die verleend wordt. De overheid wil namelijk dat de aannemer zich vestigt op een plaats waar hij thuis hoort. Ze kijkt daarbij naar de mogelijke hinder die de bedrijvigheid met zich mee brengt.

  De activiteiten verhuizen naar een andere locatie is soms een betere optie. Misschien naar een leegstaand bedrijf, geen bouwwerken en dus ook geen papierwinkel? Maar ook daar kan een vergunningsaanvraag nodig zijn, de functie van de bestaande gebouwen wijzigt en dat moet officieel geregistreerd worden.

 

  De loods en de bouwvergunning zijn in orde, the sky is the limit? Opgelet met wat er op de rest van het terrein nog gebeurt. We voorzien parkeerplaatsen voor de bouwkraan en het wagenpark. Kiezel, zand en klinkers liggen mooi op hoopjes gestockeerd, eventueel op een verharding. Er wordt een klein toonpark aangelegd. Een groot reclamebord wijst klanten de weg naar het bedrijf. In principe is ook voor deze voorzieningen een stedenbouwkundige vergunning nodig. De ligging van het bedrijf of eventuele verkavelingsvoorschriften kunnen de plannen dwarsbomen.

Hoezo hinder?

  De tuinaannemer gaat voor groen en probeert de tuin te integreren in de omgeving door gebruik te maken van natuurlijke materialen en streekeigen planten. Natuurvriendelijk. En milieubewust?

  De voertuigen die gestald en eventueel afgespoten worden, opgeslagen meststoffen, de mazouttank met pomp, … vormen een potentieel risico voor het milieu. Met de nodige voorzorgen beperken we de hinder tot een minimum. Hoe we dit juist aanpakken laten we via een meldingsformulier aan de gemeente weten. Wordt het allemaal iets grootschaliger? Dan moeten we een milieuvergunning aanvragen. Voorzien we bijvoorbeeld een put voor het oppompen van grondwater? Dan zal uit de vergunningsaanvraag moeten blijken dat deze reglementair aangelegd werd.

 

  In een natuurvriendelijk en milieubewust plaatje past zeker het composteren van groenafval en GFT. Of toch niet helemaal? Een tuinaannemer die vanuit verschillende plaatsen groenafval aanvoert, dit op zijn bedrijf composteert om nadien bij zijn klanten te gebruiken … die doet volgens de overheid aan opslaan en behandelen van afvalstoffen. Zelfs bij hoeveelheden kleiner dan 25m³ moet hiervan melding gemaakt worden bij de gemeente. Composteren we meer dan 25m³ dan moeten we de activiteit mee opnemen in de milieuvergunningsaanvraag, met bespreking van de bijhorende maatregelen natuurlijk.

Mijn grond, uw grond, onze grond

  Met grotere tuinprojecten gaan vaak serieuze grondwerken gepaard. Een zwembad, regenwaterput of vijver uitgraven, nivelleren van het terrein en grond afschrapen waar we tuinpaden, oprit en terras aanleggen. Gaat dit over meer dan 250m³? Dan is er een technisch verslag nodig. Op basis van een grondboring en een bodemstaal geeft dit rapport informatie over de milieuhygiënische kwaliteit van de grond. Gebeuren de grondwerken op een terrein met een mogelijke verontreiniging (er stond bijvoorbeeld een mazouttank), dan is er ook voor minder dan 250m³ grondverzet een technisch verslag nodig.

  Vaak vindt de uitgegraven grond zijn weg naar het bedrijf van de tuinaannemer. We voeren kleine hoopjes grond aan hergebruiken ze weer in een andere tuin. En in tussentijd stockeren we de grond op het bedrijf. Maar vele kleintjes maken een groot. En ook wij hebben een technisch verslag nodig zodra de samengestelde hoop groter wordt dan 250m³.

 

  ‘Een tuin is keihard genieten’. Maar eerst is het keihard werken … met aandacht voor de regeltjes. Op voorhand goed informeren is dus de boodschap.

  Dit artikel verscheen in CG Concept en werd geschreven door Profex.

Zijn hernieuwbare energie en warmtekrachtbesparing, de oplossing?


​Bent u ook op zoek naar manieren om energie te besparen in uw bedrijf? Welke mogelijkheden zijn er zijn ze ook interessant voor uw bedrijf? U leest het in dit artikel.

  • PV-installaties of zonnepanelen
  • biogasinstallaties en biogas-WKK
  • aardgas-WKK

Hebt u vragen over andere vormen van hernieuwbare energie? Contacteer ons dan via het contactformulier, of bel.

PV-installaties of zonnepanelen

Is een investering in zonnepanelen nog rendabel? Vroeger was dat geen probleem, dankzij de grote bijdrage van de groenestroomcertificaten (GSC). Maar sinds 2013 is de uitkering van GSC voor nieuwe installaties, sterk hervormd. Daardoor is de steun ook sterk teruggebracht.

Bij grote PV-installaties wordt de geïnjecteerde elektriciteit op het net, apart gemeten en afgerekend. Grote hoeveelheden elektriciteit injecteren is niet interessant. De rendabiliteit van de investering hangt dus af van:

  • de investeringskost: naast het plaatsen van zonnepanelen, moeten er mogelijks ook aanpassingen gebeuren aan het elektriciteitsnet. Informeer daarom eerst bij uw distributienetbeheerder wat de bijkomende kosten zijn. Deze kosten worden vaak vergeten door installateurs maar kunnen het project onrendabel maken;
  • het verbruiksprofiel: een groot elektriciteitsverbruik overdag is zeker een vereiste. Een hoger verbruik tijdens de zomermaanden (door bv. extra koeling) maakt de investering in zonnepanelen interessanter. Daarnaast kan injectie gedeeltelijk voorkomen worden door regelbare verbruikers (die bv. normaal enkel ’s nachts draaien op een lager tarief) aan te zetten. De opbrengst voor de geïnjecteerde elektriciteit ligt 3 tot 6 keer lager dan de besparing die gerealiseerd wordt indien de elektriciteit zelf gebruikt wordt;
  • de dimensionering: PV-installaties moeten goed afgestemd zijn op het elektriciteitsverbruik van het bedrijf. Een te grote PV-installatie zorgt voor een te groot aandeel elektriciteit dat geïnjecteerd wordt op het elektriciteitsnet waardoor de investering minder rendabel wordt;
  • de elektriciteitskost: deze kan voor bedrijven zeer sterk variëren. Hoe een elektriciteitsfactuur juist opgebouwd wordt, leest u in dit bericht. Bedrijven die 200 euro/MWh betalen voor hun elektriciteit realiseren een grotere besparing met zonnepanelen dan bedrijven die slechts 100 euro/MWh betalen.

Informeer u bij een onafhankelijk adviseur zoals Profex, wanneer u een investering in zonnepanelen overweegt. Een degelijke afstemming op de toepassing en een correcte dimensionering van de installatie, zijn erg belangrijk.

Biogasinstallaties en biogas-WKK

Via vergisting van afvalstromen (mest, oogstresten, OBA, …) in combinatie met energiegewassen, produceert de installatie biogas dat door biogasmotoren vervolgens omgezet wordt tot elektriciteit en warmte.

Door energiewinning uit afvalstromen, een stabiele elektriciteitsproductie en het verwerken van de aangevoerde afvalstromen tot hoogwaardig eindproduct, vormen biogasinstallaties op verschillende niveaus een belangrijk onderdeel van het Vlaamse landschap. De productie van groene elektriciteit en het nuttig gebruiken van de geproduceerde warmte wordt vanuit de overheid gestimuleerd met de uitreiking van groenestroom- en warmtekrachtcertificaten (GSC & WKC).

Hoe verloopt een biogasproject?

Eerst en vooral bepalen we de haalbaarheid van het project. Naast de economische rendabiliteit is het ook belangrijk te onderzoeken hoe een dergelijk project in de omgeving kan inpassen. Voor zo’n project is er alleszins een stedenbouwkundige en een milieuvergunning nodig. Vaak is ook een energiestudie van het project vereist. Deze moet bekijken of alle energie nuttig gebruikt wordt. Met de distributienetbeheerder gaan we rond de tafel zitten. Een netstudie in verband met het injecteren van de geproduceerde elektriciteit, is dikwijls nodig. Tot slot kan men via principeaanvragen bij het Vlaams Energieagentschap de subsidieregeling onder de vorm van GSC en WKC vastleggen.

Naast de nodige elektrische keuringen, zal bij de indienstname van de biogasinstallatie een keuring uitgevoerd worden om in aanmerking te komen voor GSC en WKC. Hierbij is het van belang dat alle geproduceerde elektriciteit en benutte warmte gemeten worden via gecertificeerde tellers. Deze informatie wordt uiteindelijk verwerkt in een definitief aanvraagdossier waarbij ook de productieprocessen met bijhorende schema’s worden toegelicht en een voorstel van de berekening van GSC en WKC wordt gedaan.

Opvolging noodzakelijk

De laatste jaren is de subsidieregeling sterk gewijzigd waardoor een maximale benutting van de elektriciteit- en warmteproductie belangrijk is voor de rendabiliteit van de installatie. Door het regelmatig laten uitvoeren van rendementsanalyses, worden bijkomende optimalisatiemogelijkheden tijdig gedetecteerd. Ook moeten gecertificeerde tellers regelmatig vervangen en herijkt worden om te voldoen aan alle vereisten. Enkel op die manier heeft men recht op GSC en WKC.

Tot slot hebben oudere installaties, met startdatum vóór 2013, voor GSC recht op een verlenging van vollasturen en dit afhankelijk van de gepresteerde vollastdraaiuren, en op basis van niet-afgeschreven investeringen en operationele kosten (2 x 5 jaar).

Voor het begeleiden van uw bedrijf in alles wat te maken heeft met projectbegeleiding, vergunningen, studies, gasanalyses, keuringen en analyses bent u bij Profex aan het juiste adres. Wij hebben reeds jaren ervaring in deze materie en werken op regelmatige basis samen met de betrokken inspectieorganen en de overheid.

Aardgas-WKK

Heeft uw bedrijf een groot elektriciteits- en warmteverbruik? Dan is de kans groot dat een warmtekrachtinstallatie op aardgas een interessante investering is. Daarnaast kan u door de grote flexibiliteit van de WKK op een belangrijke manier inspringen op de elektriciteitsmarkt. Op basis van de verbruiksprofielen gebeurt een eerste onderzoek naar de haalbaarheid van een WKK. In een tweede fase wordt een detailstudie gemaakt van het elektriciteits- en warmteverbruik en worden verschillende toekomstscenario’s uitgewerkt.

Vervolgens vragen we de nodige vergunningen aan en worden de netstudies voor aardgas en elektriciteit opgestart. Geen aardgasnet in de buurt? Dit probleem kan verholpen doordat de eerste kilometer aardgasaansluiting gratis door de netbeheerder wordt aangelegd voor een kwalitatieve warmtekrachtinstallatie. Via de principeaanvraag bij het Vlaams Energieagentschap wordt de subsidieregeling onder de vorm van WKC vastgelegd. Analoog als bij biogas-WKK’s dienen bij de indienstname van een aardgas-WKK-installatie de nodige keuringen uitgevoerd te worden. Daarnaast wordt met een definitief warmtekrachtdossier de opstart voltooid.

Tot slot is een continue opvolging vereist:

  • doorgedreven optimalisaties;
  • organiseren van vereiste keuringen;
  • vervangingen/herijkingen van meettoestellen;
  • begeleiding bij uitbreidingen
  • ...

Ook hierin draagt Profex zijn steentje bij om het maximale uit uw installatie te halen. De wetgeving verandert regelmatig. Wij volgen die voor u op de voet. Contacteer ons zodat u zeker bent dat u mee bent met de laatste nieuwtjes.

Welke milieuverplichtingen heeft een tuinaanlegbedrijf?


Vooraf: hou er rekening mee dat de stedenbouwkundige vergunning of zogeheten bouwvergunning gekoppeld is aan de milieuvergunning. Hebt u voor een activiteit een bouwvergunning en een milieuvergunning nodig, dan is de ene niet geldig zonder de andere. Beide vergunningen worden op termijn trouwens vervangen door de unieke omgevingsvergunning.

Opslag in open ruimte

  Materiaal dat u nodig hebt in het tuinaanlegbedrijf, zoals klinkers en boorden, mag u steeds opslaan zonder milieuvergunning. Bodemverbeterende middelen zoals bladcompost, kunnen ook maar moeten wel op een ondoordringbare verharding liggen. Bevat de compost mest, zoals het geval is bij champost of molmmest, dan hebt u er wel een milieuvergunning voor nodig. De betonplaat moet afwateren naar een opvangput. Is uw tuinaanlegbedrijf op een landbouwbedrijf gelegen, dan mogen de sappen en het regenwater van de betonplaat naar de mestkelder. Loost u in de riolering of in een gracht of beek, dan hebt u altijd een milieuvergunning nodig en moet het afvalwater ook aan de milieuvoorwaarden voldoen. Dit betekent dat bepaalde parameters niet te hoog mogen zijn. Hebt u ook schorsen liggen? Die zijn ook milieuvergunningsplichtig.

  U kan gemakkelijker aan de milieuvoorwaarden voldoen door alle opslag door alle opslag van milieuvergunningsplichtige materialen te voorzien van een afdak. Uiteraard hebt u voor dergelijke constructie wel een bouwvergunning nodig.

 

Snoei- en maairesten van eigen tuinaanlegactiviteiten mag u steeds opslaan op eigen terrein. Ontvangt u ook groenafval van derden, dan wordt u door de wetgever aanzien als een verwerker van afval. Dit betekent dat u een zwaardere milieuvergunning moet hebben en dat er mogelijks een milieucoördinator het bedrijf moet begeleiden. Composteert u de snoei- en maairesten? Vergeet dan niet een compostattest aan te vragen. Dit is nodig om de compost te gebruiken voor uw tuinaanlegactiviteiten maar ook om de compost te kunnen verkopen.

Gebruik en lozen van water

  Welke waterbronnen gebruikt u in uw bedrijf? Leidingwater, regenwater, grondwater? De prijs van water wordt niet enkel aan de kraan gemaakt. U moet er ook nog een heffing op betalen voor afvoer en zuivering. Voor het oppompen van grondwater hebt u een vergunning nodig. Deze vergunningen worden steeds moeilijker toegekend, zeker wanneer u grondwater uit de diepere grondwaterlagen wil gebruiken. Op deze manier tracht de wetgever een verdere daling van de grondwatertafel tegen te gaan.

  Regenwater is een alternatief en bij nieuwbouw is het zelfs verplicht om een regenwateropvang te voorzien. De grootte daarvan hangt af van de oppervlakte die u verhardt. Om die berekening te maken, telt men niet enkele de verhardingen op de grond maar ook de dakoppervlaktes. U kan ook verplicht worden om regenwater te laten infiltreren. Al deze verhardingen en uitrustingen zijn ook weer bouwvergunningsplichtig. In een tuinaanlegbedrijf is het daarom belangrijk op de juiste plaatsen, zoals onder de opslag van bodemverbeterende middelen, ondoordringbare verharding te voorzien. Op andere plaatsen kan u dan weer beter kiezen voor doorlaatbare verhardingen. Hou daar rekening mee!

  Uiteraard zijn er ook aan de lozing van het water verplichtingen verbonden. In een tuinaanlegbedrijf betekent dit meestal de installatie van een KWS of koolwaterstoffenafscheider. Loost u op een gracht of een ander oppervlaktewater, dan kan een kleine waterzuiveringsinstallatie verplicht worden.

Andere milieuvergunningsplichtige activiteiten

  Als tuinaanlegger hebt u waarschijnlijk wat gevaarlijke producten staan: onkruidbestrijding, producten tegen ongedierte enzovoort. Hebt u enkel verpakkingen die kleiner zijn dan 25 l of kg, dan kan u gebruik maken van een gunstige rubriek in de milieuvergunningenlijst. Uiteraard moeten gevaarlijke producten steeds achter slot en grendel staan. Zorg er ook voor dat producten die met elkaar kunnen reageren, niet naast elkaar staan.

  Ook de opslag van oliën en vetten in de werkplaats, is vergunningsplichtig. Dat geldt eveneens voor stookolieopslag, diesel en de plaats waar u voertuigen en machines tankt.

 

  Afhankelijk van de specifieke activiteiten van uw bedrijf, moet de milieuvergunning nog uitgebreid worden met andere rubrieken. Er bestaat dus niet zoiets als een typemilieuvergunning die geldt voor elk tuinaanlegbedrijf.

Besluit

Een tuinaanlegbedrijf heeft een milieuvergunning en een stedenbouwkundige vergunning nodig. Dit hoeft echter geen onoverkomelijk probleem te zijn. Het komt er op aan het dossier goed voor te bereiden zodat u geen activiteiten over het hoofd ziet. Dan hebt u via een vrij eenvoudige procedure en binnen de wettelijke termijn een milieuvergunning op zak.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in CG Concept en werd geschreven door Filip Raymaekers.

Waar hoort uw tuinaanlegbedrijf thuis?


​In dit artikel geven we u een overzicht van de mogelijkheden.

Bestemming van een perceel

  Sinds de jaren ’70 legt het gewestplan de bestemming van een gebied vast. Stap voor stap wordt het gewestplan nu vervangen door Ruimtelijke Uitvoeringsplannen (RUP’s). De plannen bepalen welke zones bestemd zijn voor landbouw, bedrijvigheid, natuur, bos…En aan al deze bestemmingen zijn specifieke stedenbouwkundige voorschriften gekoppeld.

  Op de website van AGIV kan u nagaan wat de bestemming is van uw perceel. Maar wat betekent dit nu eigenlijk voor uw tuinaanlegbedrijf? En wat zijn de gevolgen wanneer uw bedrijf in een ‘verkeerd’ gebied blijkt te liggen? We overlopen de mogelijkheden voor het woongebied en het agrarisch gebied.

Kleinschalige nieuwbouw in woongebied

  De woongebieden zijn natuurlijk bestemd voor wonen. Maar naast de woonfunctie zijn in deze gebieden ook andere activiteiten toegelaten zoals handel, horeca en dienstverlening. In principe past een tuinaanlegbedrijf dus in het woongebied. Maar verkavelingsplannen en plannen van aanleg kunnen lokaal de mogelijkheden beperken.

  Stel: uw tuinaanlegactiviteiten zijn gestaag gegroeid en u heeft extra ruimte nodig. U beslist naast uw woning een opslagplaats te bouwen. Kan u op uw perceel in het woongebied uw plannen realiseren?

  Zet u een beperkt bijgebouw tot 40m²? Dan komt u in aanmerking voor een vrijstelling van de stedenbouwkundige vergunningsplicht, in theorie mag dit dus zonder stedenbouwkundige vergunning. Heeft u in het verleden echter al een tuinhuis, zwembad of poolhouse gezet? Of bouwt u meteen een ruimere loods of voorziet u verhardingen als parking of opslagplaats van bouwmaterialen? Dan moet u bij de gemeente een vergunning aanvragen.

  Bij de beoordeling van uw vergunningsdossier, kijkt de overheid of uw aanvraag in overeenstemming is met de ‘goede ruimtelijke ordening’. Past de functie van het gebouw bij de activiteiten van uw buren? Mag de buurt extra transport verwachten en is de straat hierop voorzien? Past de uitvoering van het gebouw in de omgeving? Is er voldoende respect voor de aangrenzende eigendommen (lichtinval, inkijk,…)?

  Kleinschalige projecten hebben een beperkte impact en dus meer kans op een gunstige beoordeling.

  Grotere werken zijn moelijker in te passen in de onmiddellijke omgeving. Ze worden uitgebreid beoordeeld op vlak van inplanting, reliëf, bodemgesteldheid, bouwvolume en uiterlijk.

  Ook de milieufactoren worden bekeken en dus moet er mogelijks een melding of milieuvergunningsaanvraag gebeuren.

 

  De uitvoering van uw gebouw wordt ook getoetst aan een aantal verordeningen. Hierin staan bijkomende regels over de manier waarop gebouwd mag worden. Het gemeentebestuur kan u vertellen welke voorschriften van toepassing zijn op uw perceel. Zij weet tevens of er nog plannen in opmaak zijn.

Een bestaand gebouw in woongebied

  U neemt een bestaand gebouw in woongebied in gebruik voor uw tuinaanlegactiviteit? Tenzij er ook een tuinaanlegbedrijf in huisde, wijzigt u de functie van het gebouw. Voor deze functiewijziging is een stedenbouwkundige vergunning nodig, ongeacht of er werken uitgevoerd worden. Blijft wonen echter de hoofdfunctie en neemt de tuinaanlegactiviteit een geringere oppervlakte in? Dan bent u vrijgesteld van deze vergunningsplicht.

Een aan de landbouw verwant bedrijf

  Het agrarisch gebied is bestemd voor de beroepslandbouw. Maar ook aan de landbouw verwante bedrijven zijn toegelaten en zijn hier dus zone-eigen.

  Uw tuinaanlegbedrijf is zone-eigen als u planten of bomen kweekt of conditioneert op een oppervlakte van minimum 50 are. Conditioneren van bomen of planten? Hieronder verstaat de overheid het klaarmaken (in ruime zin) van planten om te gebruiken bij de aanleg van een tuin.

  U kan dus terecht in het agrarisch gebied, maar de voorwaarde is dat u zich vestigt in bestaande landbouwbedrijven. Het basisprincipe is dat de ‘open ruimte’ zo veel als mogelijk behouden blijft. Een nieuw inplanting op een onbebouwd perceel is dus uit den boze.

  U vestigt uw zone-eigen tuinaanlegbedrijf in een vrijgekomen landbouwbedrijf? Dan is een uitbreiding met een bijkomende loods mogelijk in de onmiddellijke omgeving van de bestaande gebouwen. Bij een aanvraag tot uitbreiding gaat de overheid na of de nieuwe constructie daadwerkelijk nodig is voor de uitbating van het bedrijf. U mag immers enkel bouwen wat strikt noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering.

  Ook in het agrarisch gebied moet een stedenbouwkundige aanvraag in overeenstemming zijn met de goede ruimtelijke ordening. Is de inplanting van het nieuwe gebouw, de omvang, aard en hinder verenigbaar met de omgeving? Hierbij hecht de overheid veel belang aan een goede integratie. Is er voldoende respect voor het karakter van het bedrijf? Voorziet u bedrijfsbeplanting? Integreert u de nieuwbouw in het omliggende landschap?

 

  En vergeet ook hier de milieuvergunning niet. Deze is immers gekoppeld aan de bouwvergunning. Heeft u een milieuvergunning nodig en vraagt of krijgt u ze niet? Dan is ook de stedenbouwkundige vergunning niet geldig!

Woning in agrarisch gebied

  De woning bij een aan de landbouw verwant bedrijf beschouwt men als zonevreemd. U mag het gebouw aanpassen volgens de regels voor zonevreemde woningen. Zo mag u verbouwen, herbouwen en zelfs uitbreiden tot een maximaal volume van 1.000 m³.

  Een nieuwe bedrijfswoning is enkel toegelaten als uw teeltactiviteit volwaardig en leefbaar is. U moet dus meer dan halftijds bezig zijn met het kweken van bomen en planten. Hieruit moet u ook een arbeidsinkomen halen dat groter is dan een referentie die jaarlijks vastgelegd wordt door de minister van landbouw.

  Is landbouw uw hoofdactiviteit en is tuinaanleg slechts ondergeschikt? Dan passen uw activiteiten in het agrarisch gebied en heeft u meer mogelijkheden.

Zonevreemd in agrarisch gebied

  En als u geen planten of bomen kweekt? Of u heeft hiervoor minder dan 50 are in gebruik? Dan ligt uw tuinaanlegbedrijf in het agrarisch gebied zonevreemd. Maar laat dat u niet tegenhouden, zelfs voor zonevreemde bedrijven zijn er een aantal mogelijkheden.

  Koopt u een bestaand gebouwencomplex dat vergund en niet verkrot is? En ligt dit aan een voldoende uitgeruste weg? Dan kan u een stedenbouwkundige aanvraag indienen om de functie van deze gebouwen te wijzigen. Hiervoor moet het gebouw ook bouwfysisch geschikt zijn. Dat wil zeggen dat er geen ingrijpende werken nodig zijn en de bestaande gebouwen met beperkte ingrepen geschikt zijn voor de nieuwe uitbating.

  Op zonevreemde bedrijven is het toegelaten de constructies te ver- en herbouwen. Uitbreidingen zijn slechts mogelijk omwille van milieu-, gezondheids- of arbeidsredenen. Een uitbreiding in functie van de tuinaanlegactiviteit is niet mogelijk.

  Een bestaande woning ligt hier ook zonevreemd maar mag verbouwd, herbouwd of uitgebreid worden. En als er nog geen woning staat? Dan kan u pas een woning aanvragen op het moment dat het kweken van bomen en planten een volwaardige en leefbare hoofdactiviteit geworden is.

 

  Zowel in het woongebied als het agrarisch gebied zijn er dus mogelijkheden voor een tuinaanlegbedrijf. Informeer u op voorhand zeker over de ruimtelijke bestemming van uw perceel. Lokaal kan een gebied een bijzondere ecologische, culturele of historische waarde hebben die alsnog invloed heeft op uw plannen.

  Dit artikel verscheen oorspronkelijk in CG Concept en werd geschreven door Carl De Braeckeleer

Bedrijfsruimte saneren via het vernieuwingsfonds


​Het vernieuwingsfonds is een initiatief van de Vlaamse Overheid om leegstaande en verwaarloosde bedrijfsgebouwen op te waarderen.

Wie en wat komen er in aanmerking voor het vernieuwingsfonds?

  •  
  • Alle natuurlijke en rechtspersonen komen in aanmerking, uitgezonderd OCMW’s, gemeentes, intercommunales, erkende sociale huisvestingsmaatschappijen, erkende POM’s, het Vlaams woningfonds
  •  
  • De bedrijfsruimte moet in de Inventaris opgenomen zijn. Het registratieattest geldt als bewijs.
  •  
  • U mag ten hoogste 2 jaar eigenaar zijn van het pand
  •  
  • Het bedrag van de werkelijk gedragen saneringskosten moet minimum 24.750 euro bedragen, exclusief BTW
  •  
  • De oppervlakte moet minstens 5 are zijn

Hoeveel subsidie mag u verwachten?

De subsidie bedraagt maximum 90% van de totale kostprijs, inclusief BTW. Om hiervan te kunnen genieten, moet u een uitgebreid aanvraagdossier indienen bij het vernieuwingsfonds.

U kan 3 voorschotten vragen van telkens 30% afhankelijk van de uitvoering van de werken. Het saldo van 10% wordt verrekend op basis van de eindafrekening.

Meer informatie? Contacteer ons en neem ook een kijkje op de website van Agentschap Ondernemen.

Bekendmaking bandingfactoren voor installaties 2015


​GroenStroomCertificaten of GSC en WarmteKrachtCertificaten of WKC worden nog steeds uitgereikt voor initiatieven die groene stroom produceren. De bandingfactoren voor vergistingsinstallaties blijven op 1 voor nieuwe en ingrijpend gewijzigde installaties.

Nieuwe installaties met fotovoltaïsche zonnepanelen krijgen ook dit jaar geen certificaten meer.

Een overzicht van alle bandingfactoren vindt u hier.

Blijf op de hoogte! Schrijf u in voor onze nieuwsbrief.