Facebook pixel

Vlarem-trein 2015 in werking


Door het nieuwe besluit van 26 augustus, sinds begin september in werking, wordt een hele reeks van besluiten en wetten gewijzigd. Enkele voorbeelden zijn het Stooktoestellenbesluit, het besluit rond de Project-m.e.r. en het Vlarema. Maar de grootste impact is wel degelijk weggelegd voor de Vlarem-wetgeving. En zo spreken we van ‘de VLAREM-trein 2015’. We geven u hierbij een aantal belangrijke wijzigingen mee, maar voor het volledige plaatje: contacteer uw Profex-adviseur!

Ten gevolge van nieuwere bevindingen uit de rapporten van Best Beschikbare Technieken, worden alvast volgende sectoren geconfronteerd met wijzigingen:

  • De verwerking van externe bedrijfsafvalwaters en vloeibare/slibachtige bedrijfsafvalstromen
  • De verf-, lak-, drukinkt- en lijmproductie
  • De grafische sector
  • De asfaltcentrales
  • De oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen

Zo werden voor asfaltcentrales nieuwe emissiegrenswaarden opgelegd voor NOx en SO². Voor die bedrijven die voor 1 september 2015 vergund waren, geldt een overgangstermijn tot 1 september 2018 om aan deze verstrengde waarden te kunnen voldoen.

Geen oranje-carroussel meer

Voor houders van gevaarlijke producten, zoals diesel of benzine, zal geen ‘oranje carroussel’ meer mogelijk zijn. Die ontstond tot op heden bij de verplicht uit te voeren Vlarem-keuring van de tanks, waarbij een groen, oranje of rood label werd verkregen naargelang het voldoen aan de nodige vereisten. Bij een oranje label werd maximaal 6 maanden gegeven om opnieuw een deskundige te laten komen voor het uitvoeren van een nieuwe keuring. Daarbij ontstond soms een oranje carroussel waarbij er meermaals achter elkaar een oranje label werd gegeven en zo ondertussen de houder toch in gebruik kon blijven. De wetgeving sloot dit achterpoortje door op te leggen dat pas een nieuw oranje label mag worden toegkend indien de tekortkomingen werden weggewerkt. Anders krijgt de tank een rood label, en mag hij niet meer gevuld worden.

Geluidsnormen bij laden en lossen aan supermarkten

Een volledig nieuw geluidskader, bovenop de algemene geluidsnormen, werd ingevoerd voor de laad- en losverrichtingen bij supermarkten. Dat zorgt ervoor dat supermarkten, ingedeeld onder NACE-code 47.11, met een eigen los- en laadplaats en beschikken over vergunningsplichtige koelinstallaties, aan bijkomende maatregelen moeten voldoen voor het laden en lossen zoals respecteren van grenswaarden en de motor stilleggen. Door het verschuiven van deze transporten naar de dagrand hoopt men bovendien een gunstiger gevolg te creëren voor de mobiliteit overdag. Zo worden in de dagrand beperkingen opgelegd voor wat betreft het aantal leveringen, de wijze waarop geladen en gelost wordt (uitschakelen radio, afzetten koeling) en dienen grenswaarden of richtwaarden te worden gerespecteerd. Bovendien gelden in bepaalde gebieden minimale afstanden tussen de loskade en de dichtstbijzijnde woningen, en kan hier enkel van afgeweken worden mits het uitvoeren van een geluidsstudie met milderende maatregelen.

Beschikt u als bedrijf over airco’s of koelinstallaties?

Dan verandert er tevens voor u ook een aantal zaken.

Zo dienden voorheen airco’s een energetische keuring te ondergaan vanaf meer dan 12 kW nominaal koelvermogen. Omdat er veel kleinere energetisch inefficiënte installaties op die manier in werking bleven, heeft men een aanpassing doorgevoerd. Zo werd de definitie voor het ‘nominaal koelvermogen’ gewijzigd. Daardoor dient u het vermogen van alle individuele installaties van het airconditioningsysteem op te tellen per gebouwniveau om aan het totale nominale koelvermogen te komen. Men maakt daarmee geen onderscheid meer of het gaat om individuele installaties of om een centrale installatie. Op die manier ontspringen kleinere installaties niet langer de dans meer om een keuring te laten uitvoeren van hun rendement en dimensionering in functie van de koelingsbehoefte. Wanneer binnen een gebouw een gecentraliseerd airconditioningsysteem gedeeld wordt door verschillende exploitanten zal het volledige systeem in rekening gebracht worden voor het bepalen van het nominaal koelvermogen. Wanneer er binnen een gebouw meerdere decentrale systemen aanwezig zijn die onder verschillende exploitanten vallen wordt enkel het nominaal koelvermogen bepaald door alle installaties van eenzelfde exploitant in beschouwing genomen.

Nominale koelmiddelinhoud is nog een begrip dat werd aangepast in de nieuwe wetgeving. Daardoor is het nu duidelijk dat een buffervat of reservevat van een koelinstallatie ook moet mee beschouwd worden voor het berekenen van de hoeveelheid koelmiddel aanwezig. Dat dient geweten te zijn voor het bepalen van de frequentie van het uitvoeren van lekcontroles. Bij een lek kan namelijk ook het koelmiddel in het aangekoppelde buffer- of reservevat ontsnappen.

Vlarem werd bovendien aangepast aan de Europese verordening omtrent gefluoreerde broeikasgassen.

Vroeger dienden koelinstallaties met een gefluoreerd broeikasgas als koelmiddel (zoals R404a, R407c, R410a, R507c, R134a,..) pas vanaf 3kg lekcontroles te ondergaan. Met de nieuwe regels omtrent koelinstallaties werd een nieuwe drempel ingevoerd, namelijk het ‘CO2-equivalent’. Dit is het product van hoeveel kg broeikasgas de koelinstallatie bezit, vermenigvuldigd met het aardopwarmingsvermogen van het koelmiddel. Deze laatste bepaalt de schadelijkheid van het koelmiddel (GWP-waarde) voor het klimaat. Daardoor kan het zijn dat koelinstallaties die vroeger niet dienden gecontroleerd te worden op lekken, aangezien minder dan 3kg koelmiddel, dit nu wel dienen te doen omwille van een hoge schadelijkheid van het koelmiddel! Afhankelijk van de uitgerekende waarde voor het CO2-equivalent dient uw koelinstallatie, sowieso vanaf 5 ton CO2 equivalent, een controle op lekken te ondergaan om de 3, 6 of 12 maanden. Als voorbeeld geven we het koelmiddel R404a, dit heeft een hele grote GWP-waarde, nl 3922.  Dat wil zeggen dat een koelinstallatie met een koelmiddelinhoud van meer dan 1,27kg de drempel van 5 ton CO2 equivalent overschrijdt en er dus periodiek lekcontroles dienen te gebeuren. Denk er ook aan dat indien uw koelinstallatie gefluoreerde broeikasgassen als koelmiddel heeft, de hoeveelheid CO2 equivalent tevens in het logboek dient vermeld te staan.

Voor het lozen van koelwater werd nu ook de verplichting tot het hebben van een dergelijke controle-inrichting ingevoerd indien het debiet meer dan 2 m3/uur tot en met 100 m3/uur bedraagt. Bedoeling is om makkelijk een monster te kunnen nemen via een ordelijk en toegankelijke plaats. U heeft hiervoor de tijd tot 1 september 2018.

Gedepollueerde voertuigwrakken en andere wijzigingen

Tot voor kort dienden de niet-gedepollueerde en wel reeds gedepollueerde voertuigwrakken gescheiden te worden opgeslagen. Dit gaf problemen in de praktijk. Via wijziging in de wetgeving kan de gezamenlijke opslag nu wel, indien elk gedepollueerd voertuigwrak wordt gemarkeerd met een duidelijk herkenbaar etiket dat zichtbaar is vanop de begane grond. Dit houdt in dat dit etiket olie-, vuil- en weerbestendig moet zijn. Voor inrichtingen die echter beschikken over een shredderinstallatie dient de opslag wel nog steeds gescheiden te gebeuren.

Voor de opslag van granen en groenvoeders bij mest(co)vergistingsinstallaties werden sectorale voorwaarden ingevoerd in de Vlarem, vooral voor het vermijden van verontreiniging door het lozen van silosappen. Deze voorwaarden zijn conform aan de nieuw ingevoerde maatregelen voor kuilplaten bij veeteeltbedrijven. Deze verplichtingen zijn wel enkel voor nieuwe inrichtingen van toepassing.

Bronbemalingen zijn vergunningsplichtig vanaf 30.000 m3/jaar waardoor heel wat maatregelen ook door de bouwfirma’s dienden genomen te worden, zoals aanleg van peilputten, peilmetingen en dergelijke. Dit had financiële en administratieve gevolgen. Met de nieuwe wetgeving werd dit aangepast en worden de bijhorende maatregelen enkel van kracht voor in klasse 1 ingedeelde inrichtingen. Daardoor worden de bouwfirma’s in de courante bemalingen ontheven van diverse plichten omtrent de controle van het grondwater.

De verbranding in open lucht werd duidelijker omschreven in de wetgeving. Zo werd ondermeer toegevoegd dat verbranding in open lucht van plantaardige afvalstoffen die afkomstig zijn van het onderhoud van landschapselementen, is toegelaten, als de afvoer of de verwerking van het biomassa-afval ter plaatse niet mogelijk is. Afvoer kan bijvoorbeeld niet mogelijk zijn door een te nat veld om er over te kunnen rijden, door lokaal reliëf of andere hindernissen zoals beken of hagen. Er is geen onderscheid tussen het type landgebruik. Het geldt dus zowel voor landbouwgebieden als voor andere. Enkel indien er geen ruimte is om het afval ter plaatse te stockeren, of indien het technisch niet mogelijk is om met een hakselaar ter plaatse te komen, geldt dat verwerking ter plaatse niet mogelijk is. Het verbranden in open lucht van plantaardige afvalstoffen wanneer dat vanuit fytosanitair oogpunt noodzakelijk is, wordt toegelaten ongeacht het type landgebruik en kan dus ingeroepen worden door particulieren, landbouwers en terreinbeheerders.

Nieuwe regels gaan bovendien vanaf 2017 in voege, om de stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken te beheersen en te beperken.

Blijf op de hoogte! Schrijf u in voor onze nieuwsbrief.